Langzaam ontgroenen

De ontbossing in de tropen gaat de laatste jaren minder snel dan algemeen wordt aangenomen. Ze leidt tot een CO2-productie die misschien maar de helft is van de waarde die het IPCC tot dusver voor ontbossing in de periode 1989-1998 in rekening brengt. Het IPCC is het VN-orgaan voor analyse van klimaatverandering.

Dit betrekkelijk goede nieuws komt van een groep Europese onderzoekers onder aanvoering van Frédéric Achard van het Joint Research Centre in Ispra, Italië. De groep baseert zich voornamelijk op satellietwaarnemingen. In Science (9 augustus) berichten ze dat hun schatting voor het jaarlijkse verlies aan bosbedekking in de natte tropen ongeveer 23 procent lager uitkomt dan die welke uit FAO-opgaven is af te leiden.

Achard c.s vergeleken waarnemingen van diverse satellieten met een hoge resolutie uit het jaar 1997 met die van 1990. Het oppervlak aan bos dat in die periode verdween is berekend aan de hand van steekproeven uit de enorme hoeveelheid opnamen. Daarbij is een gedurfde methode gebruikt: er is niet aselect bemonsterd maar juist selectief. Gebieden waar volgens de satellietwaarnemingen en opgaven van experts veel houtkap en bosontginning plaatsvindt (`hot-spot areas') werden intensiever bemonsterd. Deze benadering vereist een gecompliceerde statistische verwerking van de resultaten (en ontmoet in een begeleidend commentaar in Science direct al veel kritiek).

Hoewel de tropische ontbossing dus enigszins lijkt mee te vallen verdwijnt er jaarlijks nog steeds een hoeveelheid regenwoud met een oppervlak dat anderhalf keer zo groot is als Nederland. Opvallend genoeg ligt het tempo van ontbossing vooral hoog in Zuidoost-Azië (Indochina, Indonesië en Nieuw-Guinea). Daar gaat jaarlijks 0,9 procent van het regenwoud tegen de vlakte. In centraal Afrika ligt het tempo met 0,43 procent aanzienlijk lager (al is de snelheid van ontbossing in Ivoorkust en Madagascar ijzingwekkend hoog). In het Amazone-gebied is het tempo van ontbossing 0,38 procent per jaar.

De Europese onderzoekers herhalen de eerder door anderen geuite kritiek op de bosbouwstatistiek van de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de VN. De FAO-gegevens zijn inconsistent en lijden aan een gebrek aan standaardisatie. De informatie is vaak verouderd en/of berust op secundaire bronnen. Overigens concludeerde ook de FAO vorig jaar dat het tempo van ontbossing in de tropen begon te dalen (Science, 23 maart 2001).

Achard c.s. hebben het door hen geconstateerde bosverlies in het Amazone-gebied volgens een ruwe methode omgerekend naar de CO2-productie die het teweegbrengt. Ze stellen vast dat hun schatting (een CO2-productie door ontbossing van ongeveer 0,2 gigaton koolstof per jaar) overeenkomt met een eerdere schatting van Richard Houghton c.s. die zich ook op satelliet-opnamen baseerden (Nature, 20 januari 2000). Volgens Houghton wordt die CO2-productie nagenoeg gecompenseerd door de hoeveelheid CO2 die het onaangetaste Amazone-woud jaarlijks netto vastlegt. In zijn totaliteit zou het Amazone-gebied min of meer CO2-neutraal zijn.

Opmerkelijk is dat Achard c.s. de totale CO2-productie door ontginning van alle tropische regenwouden bij elkaar (dus ook die van Azië en Afrika) schatten op 0,64 gigaton koolstof per jaar. Het IPCC komt in zijn laatste vijfjaarlijkse klimaatrapport voor ongeveer dezelfde periode op een waarde van 1,6 gigaton. Het is van belang inzicht te krijgen in het precieze effect van ontbossing in de tropen, omdat alleen zó met zekerheid is vast te stellen waar op aarde veel CO2 wordt vastgelegd.

moreel recht

Een tijdlang is, vooral op gezag van Princeton-onderzoeker Song-Miao Fan c.s., aangenomen dat bosbijgroei in het oosten van de VS enorme hoeveelheden koolstof vastlegde: wel 1,7 gigaton per jaar (zie Science, 16 oktober 1998). Dat compenseerde schitterend voor de grote hoeveelheid CO2 die de Amerikaanse fabrieken, centrales en auto's jaarlijks uitstoten. Het gaf de VS het morele recht zich aan het Kyoto-protocol te onttrekken. Als onweerlegbaar valt te bewijzen dat de ontbossing in de tropen maar relatief weinig CO2 produceert kan ook de Amerikaanse CO2-opname niet zo groot zijn als sommigen nog steeds menen of hopen.

Maar het artikel van Achard c.s. heeft opvallende zwaktes. Zo constateert men luchtigjes dat geen rekening is gehouden met zoiets als `selective logging', een bosbouw-beleid waarbij niet complete bospercelen worden kaalgekapt maar alleen waardevolle boomstammen worden afgevoerd. In Brazilië is dat eerder regel dan uitzondering, ontdekte onderzoeker Daniel Nepstad (Nature, 8 april 1999). Selectieve houtkap wordt door satellieten vrijwel niet geregistreerd.

Ook de wijze waarop bosverlies wordt omgerekend naar CO2-productie is zeer aanvechtbaar. Er is nog steeds weinig zekerheid over de vraag of, en zo ja: hoeveel, een volgroeid, rijp, onaangetast tropisch regenwoud jaarlijks aan CO2 vastlegt. Zoals er nog te weinig inzicht is in het effect van ontbossing op de koolstof-huishouding van de bodem van het voormalige bos.

Dat verrassingen niet zijn uitgesloten bewijst een artikel in Nature (8 augustus) van de Amerikaanse onderzoeker Robert B. Jackson c.s. Deze onderzocht de gevolgen van een verschijnsel dat min of meer als het omgekeerde van ontbossing is te beschouwen: de verruiging van (natuurlijk) grasland, dus het binnendringen van struikjes, struiken en bomen in steppen en savannen. Algemeen wordt aangenomen dat verruiging gepaard gaat met extra CO2-opname maar het omgekeerde blijkt vaak het geval. Vooral onder wat vochtiger omstandigheden blijkt de bodem van grasland onder invloed van verruiging zeer veel koolstof te kunnen verliezen. Méér dan de houtige gewassen bovengronds kunnen goedmaken.