Haagse School hield van de nevel

In een brief aan zijn broer Theo schreef Vincent van Gogh eind 1881 uit Den Haag: ,,Wat is aquarel een heerlijk ding om ruimte en lucht uit te drukken, zodat het figuur in de atmosfeer zit en er leven in komt.'' In zijn Haagse periode, van december 1881 tot september 1883, zou Van Gogh steeds opnieuw proberen om zich de moeilijke techniek van het aquarelleren eigen te maken.

Zijn enthousiasme over het schilderen met waterverf sloeg al gauw om in wanhoop: `ik tob nu om aquarellen te maken', liet hij in januari 1882 aan Theo weten. Hij vond dat een aquarel `iets duivels' had en ook schreef hij, later in dat jaar, dat het schilderen met olieverf naar zijn gevoel `iets mannelijkers' was `dan aquarelleren'. In maart 1883 toen hij opnieuw bezig was met een aquarel, verzuchtte hij dat hij nog `door meer mislukkingen' heen zou moeten: ,,Want ik geloof dat bij aquarel het veel op grote handigheid en snelheid van werken aankomt. Men moet werken in het half-natte om harmonie te krijgen en heeft dan niet veel tijd tot bezinnen.'' Hoe hij er ook mee worstelde, hij hield, zoals hij schreef, `toch genoeg van het aquarelleren om het nooit geheel te laten, telkens zit ik er weer in te scharrelen'.

Op de tentoonstelling Tekenen met water. Aquarellen van de Haagse School in het Prentenkabinet van het Rijksmuseum, hangt nu een van de vroege waterverf-probeersels van Van Gogh: De bloemkwekerij aan de Schenkweg in Den Haag (1882). Het is een wat houterige en schoolse weergave van een schoffelende man in een kleine stadskwekerij. Van Gogh werkte met potlood en pen en voegde met het penseel alleen wat vage, grijze streken toe. Het is dan ook meer een tekening dan een aquarel. Het tuinschapje valt op de tentoonstelling in het Prentenkabinet een beetje uit de toon – het maakt duidelijk dat Van Gogh in 1882 nog lang niet kon tippen aan kunstenaars als Anton Mauve, Jozef Israëls en H.J. Weissenbruch die hier met verschillende breed opgezette en los geschilderde aquarellen vertegenwoordigd zijn.

In het bijschrift bij het werkje van Van Gogh staat dat hij zijn aquarelleerpogingen in 1882 alweer opgaf. Dat is niet juist – tot in 1885 zou hij er zich nog geregeld aan wagen – maar de waterverftechniek van Mauve en Weissenbruch, de twee grote voorbeelden uit zijn Haagse periode, zou hij nooit evenaren.

Het Rijksmuseum dankt zijn schitterende collectie Nederlandse aquarellen uit de tweede helft van de 19de eeuw aan een schenking van het echtpaar Drucker-Fraser dat in 1885 begon met het verzamelen van eigentijdse Hollandse kunst. De schilderijen, tekeningen en aquarellen die het museum van hen verwierf, werden vroeger permanent geëxposeerd in een speciale vleugel, de zogeheten `Drucker-uitbouw'. Omdat bleek dat de aquarellen te lijden hadden van het daglicht, werden die in de jaren zeventig uit hun lijsten gehaald en in dozen gelegd. Sindsdien zijn ze alleen nog incidenteel te bezichtigen.

Uit de 150 aquarellen van de collectie-Drucker wordt nu voor het eerst een ruime keuze getoond. De meeste werken zijn gemaakt door schilders van de Haagse School, maar behalve van Van Gogh zijn er ook aquarellen van Charles Rochussen, Jan Voerman, G.H. Breitner, Isaac Israëls en enkele andere schilders die moeilijk tot die groep gerekend kunnen worden.

Over de voorkeur van het echtpaar Drucker laat de tentoonstelling weinig te raden over: die ging duidelijk uit naar het werk van drie echte Haagse Scholers: Jozef Israëls, Anton Mauve en Jacob Maris. Alledrie waren zij in 1876 betrokken bij de oprichting van de Hollandsche Teeken-Maatschappij die de aquarel als een volwaardige kunstuiting onder de aandacht moest brengen. Dat het aquarelleren zo populair werd bij de kunstenaars van de Haagse School was geen wonder: de transparante waterverf was bij uitstek geschikt voor de weergave van de nevelige Hollandse landschappen waar deze schilders zo van hielden. Stemmige polder-, duin- en heidelandschappen onder wazig-grijze of zachtblauwe luchten zijn er dan ook te over op deze tentoonstelling. Vooral Mauve, Jacob Maris en Weissenbruch leefden zich hierin uit, maar ook schilders als Willem Maris of Geo Poggenbeek.

Mauve blijkt op deze tentoonstelling de absolute meester van de aquarel. Of hij nu een ploegende boer weergaf, ruiters in de sneeuw, een boerin in de regen of een bloemenplukkend meisje, hij tekende niet met waterverf – zoals bijvoorbeeld Jacob Maris nog weleens deed – hij plenste, sopte en schilderde vrijuit en wist zo de meest fijnzinnige resultaten te bereiken in lichtval en kleurschakeringen. Vergeleken bij zijn Larens binnenhuis (1885) waarop hij het licht door de ruitjes weergaloos heeft getroffen, doen de geaquarelleerde binnenhuizen van Jozef Israëls hier wat mat en zelfs naargeestig aan.

Het aardige van de tentoonstelling is dat zich steeds zulke vergelijkingen opdringen: tussen een stadsgezicht van Breitner en een van Willem Witsen, de luchten van Jacob Maris en die van Weissenbruch, de eendjes van Poggenbeek en die van Willem Maris. Of tussen het jonge dienstmeisje dat Isaac Israëls in talloze nuances van gebroken wit schilderde en Jacob Maris' kinderportret dat bijna helemaal uit zwart-grijze tonen bestaat.

Tentoonstelling: Tekenen met water. Aquarellen van de Haagse School. T/m 27/10 in Rijksmuseum, Amsterdam. Dag. 10-17 u. Catalogus €39,50.