Gletsjers in het Groene Hart

Is het Groene Hart meer dan een groot weiland met koeien? Michiel van Nieuwstadt probeerde het landschap te lezen.

In Woerden stroomt de Rijn nauwelijks merkbaar langs kaarsrechte oevers en aangeharkte achtertuintjes. Sommige bewoners van de ruimbemeten villa's hebben de laatste halve meter tot aan de waterkant met een strookje bloemen bij hun terrein getrokken.

Gewone wandelaars lopen hier door een doorsnee buitenwijk, maar dat geldt niet voor historicus Jan Erik Burger. Hij bevindt zich aan de voormalige noordgrens van het Romeinse Rijk. Of tussen de kolkende waterstromen van lang verdwenen gletsjers. Burger loopt over een jaagpad, de `snelweg' tussen Utrecht en Leiden totdat in 1855 de spoorlijn tussen deze twee steden werd geopend.

Met geoloog Pim Jungerius schreef Burger het boekje Landschap Lezen over de Ronde Venen, deel van het Groene Hart. Het maken van historische gedachtesprongen is, zo blijkt, onlosmakelijk verbonden met het lezen van het landschap, evenals een dosis fantasie. In de kerktorens van dorpen in het Groene Hart zien de auteurs bakens voor wie vroeger rondtrok door de veenmoerassen. Is er langs de Rijn in Woerden nog iets te zién van de IJs- of Romeinse Tijd? Burger gnuift. ,,Nee, natuurlijk niet.'' Landschap lezen is lastig. Dat wordt snel duidelijk tijdens een vijf uur durende wandeling door het laagveen ten noorden van Woerden. ,,In de winter is het makkelijker'', verzekert Burger. ,,Het tapijt van groen verhult soms interessante elementen.''

Wie niets wil missen zou geschoold moeten zijn als bioloog, geograaf, bouwkundige én historicus. Bij het herkennen van een bodemsoort bijvoorbeeld is het makkelijk om bepaalde planten te signaleren, maar dat is niet Burgers' expertise. De brandnetels en herderstasjes die deel uitmaken van de `verstoringsvegetatie' in de veelgemaaide bermen zijn voor de leek nog wel te herkennen. Maar in het boekje van Burger vertelt specialist Harm Piek dat veldbies en akkerhoornbloem de voedselarme bodem markeren. Die planten gaan onopgemerkt aan deze wandelaars voorbij.

Behalve langs rivieren loopt een tocht door het Groene Hart ook over veel rechte lijnen. Sloten strekken zich uit vanaf de Rijn naar het noorden. Ze markeren de kavels die de veenkolonisten van middeleeuwse landheren kregen toegewezen, 1.250 meter lang en 30 meter breed. Vanaf de rivier ploegden ze door het veen om gerst en tarwe te verbouwen.

De landbouw op het veen bleek geen duurzame bestaanswijze. Gerst en veen verdragen geen al te natte grond. Ontwatering bood een tijdelijke oplossing, maar als gevolg daarvan begon het veen in te klinken en was weer meer ontwatering nodig. Toen het niet meer mogelijk bleek het veen voldoende droog te houden stapten de boeren over op veeteelt.

Burger en Jungerius maken met hun boekje duidelijk dat het Groene Hart meer is dan een wei met koeien, maar in een lus van 20 kilometer ligt de eentonigheid op de loer. De laagveenroute loopt langs de Rijn ten oosten van Woerden en dan met een kleine omweg richting Kamerik. Het gras waar nu de koeien grazen ligt ongeveer een meter onder het pad. Aan dat geringe hoogteverschil is te zien dat het veen hier weliswaar is ingeklonken, maar nooit gewonnen, legt Burger uit. Het laagliggende veen is vermengd met kleiresten en daarom minder geschikt als brandstof. Verder naar het noorden, rond Mijdrecht is het veen dat vroeger meters hoger lag wél als turf in rook opgegaan. Daar grazen de koeien op de voormalige zeebodem, enkele meters lager dan nabij Woerden.

In de Middeleeuwen lag het dorp Mijdrecht op de top van een veenpudding, legt Burger uit. Door de winning daarvan zijn de hoogteverschillen nu, duizend jaar later, omgekeerd. Mijdrecht ligt op het diepste punt van een soepkom.

Zelfs in het kielzog van een expert knaagt de twijfel aan de beginnende landlezer. De datering van boerderijen verloopt nog eenvoudig. Burger wijst op de vloedstoepen tegen overstromingen en verzakkingen op de veenbodem. Maar even verderop staat een groepje bomen dicht opeen in het landschap. De leek herkent een pestbosje, waarover Burger en Jungerius schrijven. Op het land, ver van de boerderij, werden de karkassen begraven van dieren die aan die besmettelijke ziekte stierven. De leergierige landschaplezer stapt terug in de tijd en verbeeldt zich de rampspoed die verlies van vee en hongersnood voor de boer betekende. Maar is dat wel een pestbosje? ,,Ik durf geen zekerheid te geven'', zegt Burger. ,,Maar ik denk het niet.''

Ten noorden van Kamerik gaat de tocht over de houtkade naar het westen richting de Grecht, een kronkelige veenrivier die lokale boeren in 1494 bevaarbaar maakten. Hier liggen de huizen zo diep verscholen achter de dijken dat ze in het veen lijken te zijn weggezakt.

Op zoek naar doorgangen over de mooiste achterkaden, tiendwegen en dijkjes heeft Burger hier en daar onderhandeld met de eigenaren van het boerenland. Niet overal met succes. ,,Niet betreden'', waarschuwen verfletters op een hek langs de Grecht. ,,Als we worden aangesproken moeten we naar bevind van zaken handelen'', adviseert Burger, terwijl hij over het hek klimt. De kans daarop lijkt klein op het ingeslapen boerderijtje. Burger gelooft dat de eigenaar de oversteek niet eens mág weigeren: ,,Er staat geen bordje met Art. 461, wetboek van strafrecht.''

Van hier is het nauwelijks vijf kilometer terug naar Woerden, maar het is stil en eenzaam. Tenminste voor de landschaplezer die ook weet waar hij niét moet kijken. Burger: ,,Hier wordt het land woest en ledig. Als je die kant op kijkt zie je ook de autoweg niet meer.''

Jan Erik Burger en Pim Jungerius: Landschap lezen deel 1. Wandelen in het Groene Hart: De Ronde Venen.