Gletsjers

Het artikel over de terugtrekkende gletsjers van Paul Luttikhuis (bijlage W&O, 3 aug.) is interessant en lezenswaardig. Helaas steekt zo nu en dan een `het-eind-van-de-wereld-is-nabij' sentiment de kop op, vooral als de huidige opwarming en afsmelting ter sprake komt. We leven in een tijd van opwarming, maar die is niet exceptioneel.

De aarde kent twee fundamentele klimaatsystemen: de broeikas (greenhouse) en het vrieshuis (icehouse). Tijdens de broeikas is het veel warmer dan nu, ontbreken de polaire ijskappen, zijn er geen echte hooggebergten met gletsjers en is het wereld zeeniveau aanzienlijk hoger. De vrieshuisperiodes, die tientallen miljoenen jaren duren, vallen samen met de aanwezigheid van oost-west strekkende hooggebergtes waardoor warmtetransport van tropen naar polen belemmerd wordt. Door periodieke variaties in insolatie en zeestromen wisselen ijstijden (veel kouder dan nu, met een honderd meter lager zeeniveau) af met interglacialen, die tienduizenden jaren duren.

`Ons' interglaciaal begon 11.500 jaar geleden met een temperatuurstijging gemeten aan ijskernen op Groenland van 16 graden Celsius in minder dan honderd jaar! De warmste periode van het Holoceen (ons interglaciaal) was van 8.000 tot 5.000 jaar voor heden (heden = 1950), aan het eind waarvan de ongelukkige Ötzi van het artikel omkwam en tegen aaseters en bederf beschermd werd door de invallende sneeuw en vrieskou.

We zijn dus nu weer teruggekeerd tot die warmste periode, althans in de Alpen. Het is daarbij goed te bedenken dat eerdere interglacialen zoals de eerste en de voorlaatste enkele graden warmer waren dan de huidige; tijdens de eerste leefden er subtropische apen in ons land. De huidige opwarming, die gedeeltelijk toegeschreven kan worden aan menselijk handelen, is niet uitzonderlijk in sterkte noch in snelheid. Waakzaamheid uit voorzorg is geboden, maar het eind van de wereld is niet nabij in het geologische verleden heeft de aarde wel wat ergers meegemaakt, zoals de inslag van de asteroïde aan het eind van het Krijt, of het uitsterven van 90 procent van de soorten aan het eind van het Perm.