Ga tot de eskimo's!

Archeologen moeten moderne jager-verzamelaars bestuderen. Grand old man Lewis Binford schreef eindelijk een overzichtswerk over zijn bevindingen: `Reconstructing Frames of References'. Het is een belangrijk, maar onleesbaar boek.

Het begon met een onwillige douanebeambte. Het was 1969 en archeoloog Lewis Binford was net per schip aangekomen in New York. Zijn bagage bestond uit enkele kratten vol materiaal van een opgraving van een prehistorische vindplaats in een Franse grot. Of hij iets van waarde had aan te geven? Nee, hij dacht het niet. Maar die kratten dan. Alleen maar botten en stenen. Dat geloofde de douanebeambte niet. Hij zou ze allemaal gaan inspecteren en dat ging vier dagen duren. Met niks beters omhanden besloot Binford in de tussentijd maar eens langs te gaan bij een oude kennis, de toenmalige voorzitster van de Wenner-Gren Foundation for Anthropological Research. Of ze hem geld wilde geven om de Nunamiut in Alaska te bestuderen.

In die dagen was etno-archeologie net in opkomst: moderne jager-verzamelaars dienden als model voor de studie van hun prehistorische voorgangers. Binford had er geen moeite mee om ze als referentiekader te gebruiken, maar ergerde zich wel aan het feit dat maar één soort jagerverzamelaars, met name de !Kung in zuidelijk Afrika, als model voor alle prehistorische jager-verzamelaars werd gebruikt. Alsof de wereld niet iets complexer in elkaar steekt en er geen verschillen in leefwijze zouden zijn geweest tussen jager-verzamelaars in warme en koude streken. Daarom wilde hij eskimo's, de laatste rendierjagers ter wereld, gaan bestuderen. Dat zou hem ook van pas kunnen komen bij het onderzoek van zijn Franse materiaal, dat afkomstig was van prehistorische rendierjagers.

De voorzitster van de Foundation hoorde zijn verhaal aan en keek eens naar de wandkaart achter zich, waarop met speldjes de gesteunde projecten waren aangegeven. ``We hebben nog niemand boven de poolcirkel. Ga maar.'' Binford ging en liet zijn Franse materiaal onuitgepakt staan.

dieren slachten

Vier jaar lang bezocht Binford regelmatig de Nunamiut. Hij mocht niet meteen met de mannen mee op rendierjacht. Hij moest zich eerst bewijzen door op de kinderen te passen. Die namen hem in het begin nauwelijks serieus. Ze noemden hem `Witte-man-die-zich-niet-wast', omdat hij niet in het openbaar baadde, en lachten om zijn onbeholpen uitspraak van hun taal. Maar naarmate zijn kennis van de taal groeide, nam het respect voor hem toe, tot hij op een dag werd uitgenodigd om mee te gaan met de jacht. Hij pikte de `taal' van wolven op, leerde dieren slachten en snijsporen op botten herkennen en ontdekte dat de Nunamiut vallen gebruikten bij de jacht. Gemaakt van stenen met daarin aas en een zware steen die tegengehouden werd door een stok en neerviel als het dier in de val zat. Twee lage muurtjes aan weerszijden leidden de prooi als het ware naar de val. Na gebruik lieten de Nunamiut de val instorten en bleef niet meer dan een hoop stenen achter. Precies van het soort dat een collega in Illinois bleek te hebben geïnterpreteerd als een `kindergraf'. Hij had anders dan Binford na zijn vondst niet rondgekeken of ergens vergelijkbare steenhopen waren gevonden, maar zelf een oplossing bedacht.

Archeologen kijken nauwelijks over hun eigen putrand heen, luidt Binfords oordeel. Hij wel, want na de Nunamiut bracht hij ook langere tijd door bij onder anderen de Aboriginals in Australie en de !Kung in de Kalahari in Afrika sindsdien kan hij huilen als een hyena. En omdat hij niet het eeuwige leven heeft en niet alle moderne jager-verzamelaars zelf kan of heeft kunnen bezoeken, heeft hij de afgelopen dertig jaar alle vakliteratuur over de 339 bekende en over verschillende continenten verspreide jager-verzamelaarculturen verzameld, om te kijken of hij kon achterhalen welke processen voor de verschillen in die culturen zorgen.

Binford is een van de aartsvaders van de proces-archeologie uit de jaren zestig. Hij zet zich af tegen de `verhalenvertellers' onder de archeologen die hun ideeën over hoe het vroeger geweest zou kunnen zijn projecteren op hun vondsten. Niks geen humaniora, archeologie is, of beter gezegd zou een science moeten zijn, een natuurwetenschap. Het gaat om hypotheses, om voorspellingen en om die te toetsen. Daarvoor moet je op basis van bestaande kennis (in dit geval kennis van moderne jager-verzamelaars) een referentiekader en modellen met variabelen bouwen. Pas dan kun je zien of je hypothese over je archeologische vondst klopt en leer je iets, ook als je hypothese niet klopt.

Al die jaren die Binford bij jager-verzamelaars heeft doorgebracht hij schat de helft van zijn loopbaan heeft hij een groot doel gehad: een wereldwijde theorie ontwikkelen die de verscheidenheid verklaart van alle samenlevingen in tijd en ruimte.

Tweeëndertig jaar na zijn reis naar Alaska en na twintig jaar worstelen met een brij aan gegevens komt hij op zijn tweeënzeventigste met iets dat volgens hem in de buurt komt. Constructing Frames of References heet het. Pakkend en de revolutie predikend is anders. De ondertitel doet ook al niet begerig naar het boek grijpen. An Analytical Method for Archaeological Theory Building Using Ethnographic and Environmental Data Sets. Wie het snel doorbladert ziet veel cijfers, grafieken, tabellen en formules langskomen en dat 624 pagina's lang. `Je kunt het altijd nog voor gewichtheffen gebruiken', is zijn droge commentaar.

Die neiging valt in eerste instantie moeilijk te onderdrukken, want het betoog is als vanouds opgebouwd uit het voor Binford kenmerkende abstracte proza. `Ben ik nu zo dom, of hoe zit het?' is een gedachte die meermalen opkomt. Gelukkig voor het eigen ego zijn er dan geruststellende woorden van archeologen die, hoewel ze volledig in de materie zijn ingewijd, ook zeggen: `Zijn boeken zijn zo goed als onleesbaar.'

Gek, maar dat verwacht je niet van zo'n markante man, die een keer of vijf is getrouwd, bouwvakker en aannemer is geweest, bekend staat als iemand die geen blad voor de mond neemt en menig collega heeft geschoffeerd en daarom pas dit jaar, nu al zijn vijanden zijn overleden, lid mocht worden van de prestigieuze National Academy of Sciences in Amerika.

koppigheid

Toch mag Binfords werk niet ongelezen blijven. Al is het maar uit respect voor zijn koppigheid en vasthoudendheid om niet alleen alles wat bekend is over 339 jager-verzamelaarculturen te verzamelen, maar dat ook nog eens te combineren met de (historische) gegevens van 1429 wereldwijd verspreide weerstations. Zijn uitgangspunt is dat het klimaat de natuurlijke omgeving bepaalt, die op zijn beurt het gedrag van jager-verzamelaars bepaalt. Simpel gezegd zal een jager-verzamelaar in koude, barre streken, vrije wil of niet, meer en andere moeite moeten doen om aan zijn eten te komen dan een jager-verzamelaar in warmere streken, waar de natuur een overvloed aan planten en dieren biedt.

Binford is nu zo ver dat als je hem de gegevens van een willekeurig weerstation op een willekeurige lengte- of breedtegraad geeft, hij de biomassa van het gebied kan voorspellen en daarmee de bevolkingsdichtheid en het gedrag van de daar wonende jager-verzamelaars. Daar bij gaat het om zaken als bevolkingsdichtheid, groepsgrootte, samenwerking, verblijfsduur op plekken of kampen, mobiliteit en verdeling van de dagelijkse taken. Hij verwacht bijvoorbeeld dat veelwijverij vooral voorkomt in warme streken, waar planten en alles wat in het water leeft als weinig lichaamskracht vragende voedselbronnen dienen.

Binford toetst zijn theorieën nauwelijks aan archeologische vondsten – een van de weinige keren dat hij dat doet, `voorspelt' hij dat rond Khartoum in Soedan de ecologische omstandigheden in het Pleistoceen bewoning voor 11.400 jaar geleden onmogelijk maakten. Uit archeologische opgravingen blijkt inderdaad dat pas rond 9.300 jaar geleden een cultuur, die Khartoum Complex wordt genoemd, zich in het gebied vestigt.

En dat is maar een begin, zegt Binford. Hij vergelijkt het met de situatie in de medische wetenschap in het begin van de zeventiende eeuw, toen William Harvey voor het eerst aantoonde dat het hart een pomp was. Dankzij en op basis van dat inzicht heeft de medische wetenschap zich verder ontwikkeld en kunnen artsen zich nu bezighouden met onderzoek naar en behandeling van zaken als hoge bloeddruk en aderverkalking. Zo zullen in de (verre) toekomst archeologen op basis van empirisch onderzoek, dat ontwikkeld is na Constructing Frames of References, eindelijk iets zinnigs kunnen zeggen over culturele uitingen als technologie, rituele expressie en ideologie.

De Engelsman Colin Renfrew, een andere befaamde archeoloog, was alvast bereid om op de achterflap van het boek te vertellen dat het werk van Binford baanbrekend is en het denken over jager-verzamelaars en de vroege landbouw-samenlevingen zal veranderen. Maar Renfrew is zelden te beroerd om zoiets te zeggen over iets dat tegen de stroom ingaat. De vraag is of de doorsnee archeoloog wat met de inhoud van het boek doet, want processuele archeologie en Binford zijn zo langzamerhand uit de mode geraakt.

Toch is het te hopen dat Reconstructing Frames of References goed gelezen zal worden. Want Binford geeft genoeg prikkelend materiaal. Klopt het dat een gemiddelde groep jager-verzamelaars 20,47 personen nodig heeft om goed in zijn onderhoud te kunnen voorzien? En is het echt zo dat zo'n groep dan een gebied met een oppervlakte van 225 vierkante kilometer nodig heeft? En hoe zit het met de `drempel' die een groep overgaat als de bevolkingsdichtheid boven de 52,677 personen per 100 vierkante kilometer stijgt? Neemt de mobiliteit dan zo af, dat de groep sedentair begint te worden en om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien andere strategieën moet gaan toepassen zoals dieren houden en de aanleg van voorraden? En is het echt, waar ook ter wereld, afgelopen met jagen-verzamelen en rest er om te overleven niets dan landbouw als de bevolkingsdichtheid boven de 304,99 personen per honderd vierkante kilometer uitkomt?

Binfords moeizame proza en de tabellen, cijfers en ingewikkelde formules moet de lezer maar voor lief nemen. Want, zoals Binford zelf in de eerste regel van hoofdstuk acht zegt: `Theory building is not for sissies!'

Met dank aan David Van Reybrouck.

Op de site van het Nederlandse wetenschappelijk tijdschrift `Archaeological Dialogues' is Binford huilend en jankend als een wolf en hyena te horen.