EUFORIE

Wie kent ze niet, de vrijwel ongeremde uitingen van (vermeende) vreugde in en rond de sport? Het zijn dan niet alleen degenen die ongemeen fraai scoren of met veel inventiviteit en doorzettingsvermogen winnen, die dan `uit hun bol' gaan. Die euforie is de laatste decennia geleidelijk aan zelfs toegestaan als de tegenstander wat ongelukkig een eigen doelpunt maakt of wanneer de andere partij door een blessure verliest. Het is de devaluatie van een vreugde die je voelt als er iets moois na veel trainen lukt of bij de overwinning die je behaalt na lang en stevig `bikkelen' met je tegenstander. In vrijwel geen enkele sport wordt er nog volstaan met spontane blijdschap in de vorm van een brede grijns, een hand of `mooie bal' van je ploeggenoten. Of zelfs met die superieure, maar wat valse complimenten voor het geboden maar `helaas' vergeefse tegenspel.

Zoals je in het proftennis een overwinning op je knieën met de vuisten omhoog en liefst ook nog met een racket in de lucht gegooid moet vieren, zo ben je in het voetbal na een doelpunt bijna verplicht tot de meest malle acts waaraan je vaak afziet dat er behoorlijk op is geoefend.

Voetbal kent, van oudsher, de meeste uitwassen. Die beperken zich al lang niet meer tot het stadion. Dit was al zo in de jaren zeventig, in alle opzichten de jaren van slechte smaak. Een minister-president in een polonaise met een elftal dat daags ervoor verloren heeft en een trainersvrouw met de pet van de dienstdoende politieman: tenenkrommend, ook al werd Nederland vice-wereldkampioen.

Dit is het eerste deel in een serie over vreugde in en rond de sport.