'Een koe kleeft', zegt hij

Jan van Weperen, melkveehouder in Oosterwolde (Fr.) vat het probleem in één zin samen: ,,Mijn hart zegt: die koeien moeten naar buiten, mijn portemonnee zegt: die koeien blijven binnen.''

Zijn koeien staan binnen en het zijn er veel, erg veel, nooit van mijn leven heb ik in één keer zoveel koeien op mijn netvlies gehad. Zoals voetbalsupporters bij de ingang van het stadion, zo verdringen zij zich bij de melkput. Hetzelfde reikhalzende uitzien naar de wedstrijd ook. Alleen geen rellen.

Samen met zijn broer Klaas en vier medewerkers melkt Jan er vierhonderd. In Nederland behoor je dan tot de grootsten. De allergrootste is natuurlijk Van Bakel in Vredepeel (NBr.), die er duizend melkt.

We praten over een melkquotum van 3,6 miljoen liter en hoeveel dát is, realiseer ik me pas goed als Jan in volstrekte openheid de bedrijfseconomische gegevens met me doorneemt. De cijfers van 2001. Inkomsten 84,6 cent per liter en daar staat een hele rits kostenposten tegenover. Dan zegt hij: `Elke cent die wij kunnen besparen staat voor 36.000 gulden.' Zeker, dan opereer je op het scherpst van de snede.

Het bedrijf staat in een bepaalde traditie. Toen de woeste grond hier werd ontgonnen, behoorden Jan Post en Hendrikje Donker tot de eersten die zich er vestigden. Dat was rond 1900. Dat waren de grootouders van de grootouders van Jan en Klaas. Hun vader, Jan-Klaas van Weperen, was in zijn tijd met zestig koeien ook al een grote. ,,Wij boeren op zand'', legt Jan uit, ,,wij hebben altijd moeten bewijzen wat we waard zijn.''

Een verleden hebben ze, dat neemt niemand ze meer af. Een toekomst zullen ze moeten bevechten.

,,Veel boeren'', zegt Jan, ,,nemen momenteel genoegen met een laag rendement, of helemaal geen rendement, op eigen arbeid en eigen kapitaal.'' Hij vindt het prima dat ze zo leven, hij zal niemand de les lezen; het zijn juist de onderlinge verschillen die het boerenbedrijf zo fascinerend maken.

,,Maar wij'', vervolgt hij, ,,zien onze manier van boeren als een gewone economische activiteit. Wij werken niet alleen voor ons eigen bestaan, maar ook voor dat van een volgende generatie – als die boer wil blijven, zul je ook sociaal iets te bieden moeten hebben.''

De voordelen van een groot bedrijf zijn evident. ,,Een ander heeft twee kruiwagens op honderd koelen, wij hebben twee kruiwagens op vierhonderd koeien.''

Hij, daarvan is Jan van Weperen overtuigd, zal het langer uitzingen dan de kleine, leuke boertjes die ik ken in het Groene Hart en de IJsselstreek. Maar ook hij, dat is al net zo zeker, zal het niet redden op een vrije wereldmarkt. Loon- en grondkosten zijn fnuikend. Doe er nog wat regelgeving voor het behoud van milieu en landschap bij en je staat op een onmogelijke achterstand. ,,Zonder bescherming'', zegt hij, ,,kunnen ook wij niet boeren.'' Nieuw-Zeeland en Australië, daar komt de dreiging vandaan. En elke WTO-ronde komt de wereldmarkt dichterbij. In de tussentijd kun je weinig anders doen dan je eigen bedrijfsvoering zo efficiënt mogelijk maken.

De afgelopen tien jaar heeft de Maatschap Van Weperen consequent op verhoging van de melkgift gefokt. Steeds sperma van stieren uit de top-10. Dat heeft zijn nut bewezen in de melkput: van een kleine 5000 naar 9700 liter per koe per jaar. De komende tien jaar willen ze al even consequent doorfokken op verhoging van de gemiddelde leeftijd. Sperma van stieren uit de top-100, maar dan met een hoge DU-Index. DU staat voor duurzaamheid.

Op het ogenblik is de gemiddelde leeftijd van de melkkoeien in deze stal vierenhalf jaar. Dat wil zeggen dat je van de vierhonderd kalveren er jaarlijks ruim honderd moet aanhouden. Stel dat elke koe een jaar langer in bedrijf blijft, dan hoef je nog maar 80 à 85 kalveren aan te houden. Goed voor de jaarrekening (kalveren eten wel maar produceren niet), goed voor de koe (een langer leven) en goed voor de boer – Jan doet liever een kalf weg dan een koe.

,,Een koe kleeft'', zegt hij. ,,Ik kan moeilijk afscheid nemen, dat is mijn zwakke punt als boer.''

En dan gaat het opeens over Alma, dan verandert een financiële beschouwing over een kudde van vierhonderd opeens in een lofzang op één enkel dier. Zeker zo gedreven als over de zaken van zijn portemonnee, praat Jan van Weperen over de zaken van zijn hart.

Alma, de vergrijsde zwartbonte. Alma, de achttienjarige, dertien kalveren achter de rug en nog steeds goed voor meer dan 7000 liter. Alma, een dijk van een koe. Het feest toen Alma de 100.000 liter passeerde. Het feest toen Alma de 10.000 kilo vet en eiwit passeerde. Het feest toen Alma zestien werd – op 21 maart 2000 was dat en toen hebben ze haar meegenomen naar het bejaardenhuis in Oosterwolde, een happening van jewelste.

Alma, bij wie de teller inmiddels op 146.000 liter staat. Alma en Marle, die intussen ook al over de 16 is. Dochters van de stier Tops, die met een DU-index zijn tijd ver vooruit zou zijn geweest, die destijds in feite niet de waardering heeft gekregen die hij verdiend had. Alma en Marie, die het duurzaamheidsbeleid op dit bedrijf al hadden ingezet voordat de directie er erg in had.

,,Ze hebben wat extra aandacht nodig'', zegt Jan, ,,en die krijgen ze ook. We willen ze verzorgen, maar we willen ze niet verplegen – dat niet. En dan? Ik geef ze in ieder geval niet met de veewagen mee. Zij zullen niet hoeven wachten bij het slachthuis.''

Hij houdt van koeien. Ik bedoel: niet alleen van deze twee, maar van koeien in het algemeen. Dat merk je als we die enorme schuren ingaan en ons door de wachtende menigte wringen. Hij kent zijn dieren, zijn dieren kennen hem. Rustig blijven ze staan, vol vertrouwen.

,,Het is niet waar'', zegt Jan, ,,dat je in zo'n grote veestapel de individuele koe uit het oog verliest. En dat mág ook niet. Infecties kunnen hier een ramp aanrichten. Als de computer waarschuwt voor een verminderde melkgift, is het eigenlijk al te laat. Wij moeten er éérder bij zijn. Altijd maar kijken, altijd maar praten, altijd maar betasten. Dat doet Klaas, dat doe ik, dat doen al onze medewerkers.''

In 1997 waren Alma en Marie en consorten voor het laatst in de wei. Vierhonderd koeien onder een boom. Vierhonderd koeien bij de drinkbak. ,,Het koppel was gewoon te groot om te weiden.''

Toen sprak de portemonnee.

Het gras is eigenlijk nooit goed. Het is te lang of te kort, het is te droog of te nat, het heeft te veel of te weinig structuur. Zowel het weiland als de koe levert een hogere productie op als de boer het gras zelf maait en tot goed samengesteld ruwvoer verwerkt.

En wat de mest betreft: in het weiland doen koeien maar raak. Staan ze op stal, dan kun je de mest opvangen in de gierkelder en optimaal voor het land gebruiken. Dat betekent een aanzienlijke besparing op kunstmest. ,,Acht jaar terug moesten we 400 kilogram stikstof per hectare toevoegen, nu minder dan 180 kilo.'' Ook voor het milieu dus.

Bij onze rondgang door de schuren zijn we inmiddels gevorderd tot het jongvee. Daar ligt een kalfje, ach zo zielig. Met te korte pezen geboren en nu kan het alleen maar kruipen. Maar het gaat al een stuk beter met 'm, verzekert Jan. Die leert hier staan en lopen, en dan gaat-ie evenzogoed naar de kalvermesterij. Zo zit onze liefde voor koeien, net als elke liefde, vol tegenstrijdigheden.

,,Ja'', zeg ik als we het erf oplopen, ,,ik kan je niet dwingen om je koeien naar buiten te doen.''

,,Nee'', zegt Jan.

,,Maar ik'', zeg ik, ,,vind er dan niets meer aan.''

,,Dat is jammer'', zegt Jan.

,,En jij'', zeg ik, ,,kunt mij niet dwingen om te schrijven dat de melkveehouderij voor Nederland behouden moet blijven.''

,,Nee'', zegt Jan.