Een dorp dat naar de dictator verlangt

Vandaag viert Indonesië de onafhankelijkheid. De boeren en theepluksters zegt het weinig. Het feest is vooral een pauze in een voortdurende worsteling om het bestaan.

De foto hangt overal ter wereld in reisbureaus die Indonesië-vakanties aanbieden: frisgroene rijstvelden liggen trapsgewijs in de bocht van een heuvel, het water van de sawahs reflecteren wolken en de zon en ergens op de plaat staat een kleine, solitaire boer versmolten met ploeg en karbouw. Die boer is Lili.

Althans, hij zou het kunnen zijn, want hij loopt al zijn hele leven, 52 jaar, door die foto. Het plaatje is van de rijstterrassen vlakbij Cianjur, een stadje 100 kilometer ten zuidoosten van de hoofdstad Jakarta. Vraag een Indonesiër naar zijn eetgewoonten en hij zal eerst zeggen dat geen maaltijd zonder rijst komt en dat de beste rijst uit Cianjur komt.

Het zal allemaal wel, denkt Lili. ,,De markt voor rijst is nu slecht, dus plant ik deze keer ubi jalar.'' Om hem heen duwen tien mannen plantjes voor zoete aardappel in de droge grond. Het resultaat is veel minder fotogeniek en idyllisch dan rijstplantjes in een ondergelopen veldje.

Desondanks schieten toeristen, een paar honderd meter hoger op de heuvel, hun rolletjes vol vanuit een stilstaande, gekoelde bus. Het ontgaat Lili en zijn mannen die van hem voor dit klusje van een halve dag 10.000 roepia krijgen, oftewel één euro. ,,Ik probeer elke dag te werken'', zegt één van de mannen, ,,maar meestal zijn het er maar vijftien in de maand.'' Isomudin is 40, heeft zes kinderen en hij en zijn vrouw verdienen samen maandelijks hooguit 500.000 roepia. ,,Wat ik doe met een miljard? Al het land kopen dat je ziet. Dat kan ik tenminste doorgeven aan mijn kinderen.''

Vandaag, onafhankelijkheidsdag, moet één ervan de kampong verbaasd doen staan. Zoals in alle kampongs, dorpen en steden in Indonesië zijn er deze dag wedstrijden, vooral voetbal, hardlopen en volleybal. Maar zoon Jefri doet mee aan de wedstrijd wie het mooiste uit zijn hoofd een moeilijk gedicht kan voordragen van Chairil Anwar, `s Lands bekendste dichter. Het gaat over de onafhankelijkheidsstrijd. ,,Hij oefent de hele dag'', lacht vader Isomudin. ,,Ik ken het ook bijna uit mijn hoofd, maar echt begrijpen doe ik het niet.''

Het hele land hangt al dagen vol met het rood-wit van de Indonesische vlag. Een uiting van nationalisme of vreugde om een vrije dag? Niemand weet het zeker. Voor Lili betekent de feestdag dat er niemand is om voor hem te werken. Voor de 42-jarige theeplukster Enung, dertig kilometer verderop aan de andere, westkant van de heuvels, is het feest een onderbreking van de sleur. ,,Ik sta al vijfentwintig jaar op dezelfde hellingen te plukken'', lacht ze. ,,Het is zo saai dat ik er soms bij in slaap val en toch doorpluk. Echt waar.''

Enung`s achtertuin is haar werkplek. Ze woont met enkele tientallen andere families temidden van de theetuinen van Gunung Mas, het bekendste theemerk van het land. Ook hier proberen toeristen de oogverblindende omgeving zo romantisch mogelijk te fotograferen, liefst met een eenzame theeplukster in beeld. Maar gevraagd naar hun bestaan zeggen die pluksters zonder een moment na te denken: ,,Ons leven was en is een worsteling.''

,,Wij voelen ons achtergesteld'', verklaart plukster Elli. ,,Het is altijd Jakarta, Jakarta, Jakarta.'' De politieke omwentelingen in de hoofdstad en de afzetting van ex-president Soeharto in 1998 zijn aan de boeren noch de pluksters voorbij gegaan. De vrije verkiezingen die daarop volgden evenmin. ,,De campagne kwam ook hier langs'', vertelt Elli, ,,lachende, zingende mensen uit Jakarta. We hebben gestemd, maar we hebben er geen roepia voor gekregen. Ergens is al het campagnegeld verdwenen.'' Het dorp, zegt ze, verlangt naar de dagen van de dictator. ,,Nu mag iedereen alles zeggen, maar onder Soeharto was alles wel veel goedkoper. Een kilo suiker kostte 800 roepia, nu 4.000. Rijst, van 800 naar 2500, bakolie was 2000, nu 4500.''

`16 RDW' staat geborduurd op de raffia zak die Enung bij zich draagt; ze is plukster nummer 16 van opzichter Raduwan. Er kan 25 kilo aan theeblaadjes in zak, maar rond deze droge tijd plukt ze nog geen tien kilo per dag, 300 roepia per kilo, 3 eurocent. Haar man werkt in de theefabriek en verdient niet veel meer. ,,We komen hier nooit meer weg'', zegt Enung. ,,Mijn kinderen gaan hier naar het schooltje, gaan later plukken of naar de fabriek en hebben dan hetzelfde leven als wij nu.'' Hoe kan ze dat patroon doorbreken? ,,Met geld natuurlijk'', roepen Enung, Elli en nog eens vijftien toegestroomde pluksters. ,,Dan kunnen onze kinderen naar de kostschool in Cianjur. Die is veel beter.''

Het is tijd voor het middaggebed. Maar niemand gaat naar de moskee, want die is te klein. De imam fluistert bijna als hij traag een Koranvers leest. Zijn stem klinkt uit twee megafoons op een hoge paal en glijdt over de theehellingen. Kleine kinderen spelen `moskeetje' in de tuin, de oudste doet de imam na, de anderen knielen voor hem. Terug naar de oostkant van de heuvels, niet ver van Lili's land, staan jongeren midden op de grote, drukke weg naar Jakarta te collecteren voor het onderhoud van de moskee. Echt stoppen om een bijdrage te leveren, doen de automobilisten niet. Ze gooien propjes papiergeld uit het raam en met vlindernetjes plukken de collectanten de aalmoezen uit de lucht.

,,Goed, het is hier geen paradijs'', zegt Lili, ,,maar elke dag danken we god dat de lavagrond hier zo vruchtbaar is. Ik kan hier bijna alles planten. Volgende keer doe ik rijst en daarna maïs. Daarvan levert één kilo zaad duizend kilo op, acht miljoen roepia. Als ik een paar dagen werk hiernaast, op het land van de regent, verdien ik genoeg om die zaden te kopen. En als ik dan veel geld heb'', mijmert de boer, ,,koop ik een taxibusje, waarmee mijn kinderen geld kunnen verdienen.'' Hij rolt een shagje en is even stil. ,,Eigenlijk wil ik ook nog ooit naar Mekka'', zegt hij dan zachtjes, zodat de anderen het niet horen, ,,maar zoals het nu gaat, komt die droom niet uit.''