Zwanenzang: Robert Johnson (1911-1938)

Net als zwanen zingen popmusici hun bijzonderste lied kort voor hun dood. In een serie over te vroeg gedoofde sterren vandaag de bluespionier Robert Johnson, die precies 64 jaar geleden de gifdood stierf.

Geen dag zo gedenkwaardig als de zestiende augustus – tenminste, voor liefhebbers van populaire muziek. Niet alleen is het de geboortedatum van de koningin van de pop Madonna (1958) en de sterfdatum van de koning van de rock-'n-roll Elvis Presley (1977), ook het is de dag waarop Robert Johnson, `King of the Delta Blues Singers', in 1938 zijn laatste adem uitblies. De 27-jarige gitarist, die volgens collega's zijn ziel aan de duivel had verkocht, had toen al een doodsstrijd van drie dagen achter de rug. Tijdens een concert in een kroeg in Three Forks, Mississippi, was hij door een rivaal in de liefde vergiftigd met strychnine in zijn whiskey. Een bijkomende longontsteking maakte herstel onmogelijk.

Elvis Presley, geboren in 1935 en getogen in het noorden van Missisippi, heeft Johnson nooit horen spelen; voor zover valt na te gaan zelfs niet op de plaat. Toch zou zijn carrière er zonder de muzikale nalatenschap van Johnson heel anders hebben uitgezien. En niet alleen de zijne: topmusici als Muddy Waters en Eric Clapton verklaarden zich in de loop der jaren schatplichtig aan de Faustiaanse virtuoos, terwijl Keith Richards zijn oeuvre omschreef als `29 titels die iedereen hoort te kennen'. De Rolling Stones-gitarist deed dat overigens pas een kwart eeuw nadat hij zonder bronvermelding een van Johnsons beste nummers, `Love In Vain', op de plaat had gezet.

Robert Johnson was de eerste bluesman die bij de uitwerking van zijn nummers duidelijk rekening hield met plaatopnamen. Anders dan zijn voorgangers (onder wie de grondleggers van de country blues in de Mississippi-delta), gaf hij in de studio niet voornamelijk virtuoze gitaarimprovisaties weg. De meeste van zijn songs hebben een muzikale climax en zijn na twee, drie minuten `af'; in zijn teksten zet hij niet zomaar een aantal `floating verses' – de one-liners van de blues – achter elkaar, maar werkt hij consequent een thema uit. In zijn beste songs bewerkstelligt hij een eenheid tussen tekst en muziek, en worden de eenzaamheid en de wanhoop van de hoofdpersoon weerspiegeld door de ijle, jankende klanken van de gitaar en de bijna krijsende falsetzang. Het geeft sublieme verzen als `I got stones in my passway/ and my road seems dark as night' (uit het pessimistische `Stones In My Passway') en `If I had possession over judgement day/ Lord, the little woman I'm lovin' wouldn't/ have no right to pray' (uit het wraakzuchtige `If I Had Possession') een extra lading.

Johnsons spookachtige teksten en zijn ontijdige dood versterkten het imago van een verdoemde kunstenaar, die met zijn ziel en zijn gitaar onder zijn arm naar de crossroads was gegaan om met de duivel te onderhandelen over een ongeevenaard meesterschap. Misschien was hij afgescheept met een kortlopend contract; in elk geval speelde en componeerde hij alsof de duivel hem op de hielen zat – of, zoals hij zelf zong, met de hellehond in zijn kielzog. In het laatste jaar van zijn leven gaf Johnson elke dag concerten, van Illinois tot Mississippi, en in juni 1937 nam hij in één weekend zijn laatste 13 (!) nummers op in een studio in het Texaanse Dallas.

Met een `hellhound on his trail' is het niet verwonderlijk dat Johnson op zondag 20 juni ook een perfecte zwanenzang afleverde: `Me And The Devil Blues'. Het is een opmerkelijk somber nummer, zelfs in het licht van de horror, het geweld en de seksuele frustratie waarvan Johnsons oeuvre doortrokken is. Begeleid door spaarzame gitaarklanken begint de zanger met een standaardformule uit de blues, `Early this mornin'/ When you knocked upon my door', die verrassenderwijs wordt afgemaakt met: `And I said, ,,Hello Satan, I believe it's time to go''.' Waarna hij zijn eigen verdorvenheid bewijst met de regels `Me and the Devil was walking' side by side/ And I'm goin' to beat my woman until I get satisfied.'

Uit het vervolg van het liedje blijkt dat de geliefde van de zanger bang is voor de gewelddadigheid van haar minnaar; ze begrijpt hem niet, en het enige wat hij tot zijn verdediging kan zeggen, is dat hij bezeten is door een boze geest. En dan loopt het nummer op zijn eind:

You may bury my body

down by the highway side

So my old evil spirit

can catch a Greyhound bus and ride

Johnsons zwanenzang is waarschijnlijk de enige song waarin een artiest aangeeft hoe hij begraven wil worden. Maar naar welke highway zou zijn voorkeur zijn uitgegaan? De `Sixty-One', die parallel aan de Mississippi de hele delta doorsnijdt (en waarover Bob Dylan nog gezongen heeft)? Of toch gewoon Highway 7, de infrastructurele trots van het stadje Greenwood, waar Johnson krepeerde? Joost mag het weten, en toen de muziek van Robert Johnson in de late jaren zestig herontdekt werd, was het helemaal een overbodige vraag geworden: bewonderaars konden zijn graf niet eens bezoeken, omdat niemand met zekerheid kon zeggen waar hij begraven was. De biograaf en blueskenner Robert Palmer hield het op een baptistenkerkhof in het vlak bij Greenwood gelegen Morgan City, en was dus verantwoordelijk voor de gedenkzuil die daar in 1990 werd neergezet. Een oude ex van Johnson meende zeker te weten dat het lichaam van de zanger was geëindigd in een kapel in het plaatsje Quito, tussen Greenwood en Morgan City. En vorig jaar stelde een blueshistoricus dat Johnson gewoon in Greenwood begraven was; hij had namelijk gesproken met de 86-jarige weduwe van de grafdelver die de blueszanger had begraven op het kerkhof van de plantage waar hij was gestorven.

Drie graven heeft Robert Johnson dus; een passend eerbetoon voor de man die aan de basis stond van de rock-'n-roll. Wie weet rijdt er al een pendelbus die behalve toeristen ook de `old evil spirit' van de zanger vervoert.

De zwanenzang van Elvis Presley is te vinden op www.nrc.nl/dossiers/zwanenzangen.