Schakelen van `heelal' naar `glas'

In het vijfde deel van haar serie gesprekken met Nederlandse dichters praat Marjoleine de Vos met Gerrit Krol. ,,Ik ga aardig intuïtief te werk. Ik wil iets leren van mezelf.''

Gerrit Krol (1934) kreeg vorig jaar de P.C. Hooftprijs voor proza. Zijn proza-oeuvre is omvangrijk, maar dat is niet het enige gebied waarop hij actief is. De dichter Krol heeft lange tijd gezwegen, maar eind jaren negentig werden er weer gedichten van hem gebundeld onder de titel De kleur van Groningen. De gedichten daarin houden aardig het midden tussen proza en poëzie, zelfs kreeg die bundel de ondertitel `Verhalen' mee. In Geen man, want geen vrouw gaat Krol met hetzelfde procédé aan de slag: veel ontkenningen, brede regels en, zoals de dichter zelf op de achterflap meldt `zonder ook maar één enjambement'.

Dit gedicht is geschreven naar aanleiding van de dood van de dichter Herman de Coninck?

,,Ja het is ontstaan door zijn doodsbericht. Ik kende hem niet zo goed, maar ik had hem toevallig net ontmoet in Groningen, in gezelschap van de dichter Rutger Kopland. Twee dagen later las ik in de krant zijn het bericht van zijn dood en ik schreef: `Voorlopig ben je dood, jongen'. Ik had nog helemaal geen plan om een gedicht te schrijven. Toch vond ik dat ik die regel een beetje moest verklaren: `Niet dood, maar stil'. Ik had toen al wel door wat ik daarmee bedoelde.''

Wat dan?

,,Even is iedereen verbluft, want hij is dood. Maar na tien jaar is hij door zijn werk meer levend dan dood. Dan ben je de schrik van zijn dood te boven, zo'n dichter doet dan weer zijn mond open.''

Laten we even naar het begin van het gedicht gaan. Waarom staat het `dagelijkse' van het leven ons geen psalmen en dood toe?

,,Het was niet zo dat in het dagelijkse leven alles plotseling in het teken stond van Herman de Coninck. In mijn verbeelding liep ik door Groningen over de Vismarkt en dan zag je aan niets dat Herman de Coninck dood was. Je ervaart dan dat je er daar geen toestand van kunt maken. Het leven staat je dat wel toe, maar het dagelijks leven niet.''

In de volgende `strofe' zet u de zinnen gewoon achter elkaar, u doet niet aan versregels. Waarom is het dan toch een gedicht?

,,Als je dit gedicht zo ziet zou het wel een stukje uit een roman van mij kunnen zijn. Maar dit is een geheel, het staat op zichzelf. Dat is in een roman nooit zo, daar heb je de vorige en de volgende bladzijden nodig. Dit past niet in een ander geheel.''

Zou u het een prozagedicht willen noemen?

,,Nee, hoezeer ik ook bedreven ben in het door elkaar halen van genres, van dat woord houd ik niet. Ik wil ook niet ineens een gedicht in een prozatekst zetten. Want dan laat je zien dat je ineens niet wist hoe het in proza kon.

,,Ik ga aardig intuïtief te werk. Ik wil iets leren van mezelf.''

U schrijft `de' omstandigheden, waarom dat lidwoord?

,,Het is een vaag woord, omstandigheden. Mensen verschuilen zich er vaak achter, alles ligt altijd aan `de omstandigheden'. Dat citeer ik. Ik noem ze `zacht' en `kussens' omdat ze zo onduidelijk zijn, wolkig. Ze zijn ongrijpbaar. Alles is omstandigheid behalve wijzelf.''

Hoe kan iemand het mes in omstandigheden zetten?

,,Een mes is natuurlijk heel agressief. Dit is ook niet positief bedoeld. In een gezelschap zorgt de man die het meeste drukte maakt voor leven. Maar dat is niet mijn manier van leven. Deze opmerking resoneert in mij aan een gevoel dat ik krijg als iemand roept: `ik leef!!!'. Dan denk ik: `ik niet'.''

De structuur van dit gedicht lijkt helemaal bepaald te worden door de witregels.

,,Ik vind dat dat bij mij past. Ik vind het ook de enige manier om het te doen. Het heeft te maken met een sprong van het ene beeld of denkbeeld naar het andere. Als ik iets puntig gezegd heb dan moet er even een stilte komen, dan moet dat niet direct weer gevolgd worden door een andere kleur. Je kunt het wel vergelijken met glas-in-lood ramen.''

Dan doet u iets dat heel typerend is voor uw gedichten: u gaat ontkennen wat u net heeft gezegd. Maar wat doet die vork daar?

,,Mes en vork dat is net zoiets als zon en maan, dingen die in één adem genoemd worden, en dat doe ik hier ook. En vervolgens scheid ik ze weer, dat is een kans om bij dat lege bord terecht te komen.''

Die regel is dus vooral functioneel en heeft niet zozeer betekenis?

,,Ja, hij helpt mij op een snelle manier verder. In de volgende regel zeg ik iets dat voor Herman misschien niet zo leuk is – dat er altijd wel iets is dat de plaats in neemt van het vorige. Dat heb ik net bewezen door die reeks `mes', `vork', `leeg bord'. Het lijkt mij hier voor een goede lezer onmogelijk om niet ook even aan de dode te denken. Het is een vormkwestie, maar niet uitsluitend.''

De volgende regel is eigenlijk niet te begrijpen. Iets dat zijn plaats afstaat aan het vorige?

,,Ik doe alsof ik die enigszins rare zin verklaar door het woord `ruimte'. Daarmee kondig ik het tweede deel van het gedicht aan. Het gaat over ruimtelijke dingen.''

U zet dan ineens twee regels onder elkaar.

,,Omdat die twee soorten ruimtes ver uit elkaar liggen misschien. Ruimte voor de val is letterlijk, zonder ruimte kan iemand niet vallen, en ruimte voor een technische term, bijvoorbeeld een woord dat de oorzaak van zijn dood moet aangeven, `hartstilstand', is figuurlijk. Die val en die technische term lijken op geen enkele manier op elkaar. Geen spanning, dus daar hoeft geen witregel tussen.''

Hoe belangrijk is muzikaliteit voor u?

,,Ritme vind ik heel belangrijk. Het gebeurt wel dat ik een regel bedenk en dan vind ik die net twee lettergrepen te weinig hebben. Dat is heel dwingend – op dat moment is de betekenis secundair. Als het ritme dicteert: jongen, nog twee lettergrepen, dan luister ik daarnaar.''

U schrijft `Van een glas' als een afgeronde zin op een regel. Waarom staat `dat is leeggedronken' er niet achter?

,,Dat komt door de ontkenning van het enjambement. Dit zou glashelder een enjambement moeten zijn, maar ik zet een punt. Ik vind het ook wel leuk de lezer voor een horde te plaatsen: begrijp dit nou maar eens. Een beetje balsturig. En ik kan zo veel harder schakelen van `heelal' naar `glas'.

Heeft het heelal een bodem?

,,De Coninck is gevallen, al was hij toen eigenlijk al dood, hij kwam dus uit het heelal. Het heelal begint een centimeter boven de aarde. Als je de aarde tenminste ziet als het centrum van alles – dat vind ik wel heerlijk om te doen.''

Dan begint u ineens te rijmen.

,,Er is meer rijm: `glas', `jas', `gras'. Maar deze twee zinnen vielen mij in één keer in. Ik wilde dat honoreren. Ik denk dat dichters die veel rijmen dat ook zo doen. In die zin heb ik iets van een dichter, dat woorden wel eens zonder probleem in me opkomen.''

Waar komt die parachute vandaan?

,,Uit het heelal. Die parachute werd mij opgedrongen door het voorgaande. Het is een sterk beeld, zo'n parachute die daar ligt. Het heeft ook iets mislukts.''