Nederlanders beheren Bosnische ruïnes

De Nederlandse SFOR-militairen in Bosnië hebben sinds gisteren het beheer over een twee keer zo groot gebied als eerst. De streek rond Livno draagt diepe sporen van de oorlog.

Het grotendeels verwoeste Bosnische dorpje lijkt nu niet direct een plaats om van te dromen. Van de meeste huizen staan alleen nog de naargeestige restanten van de muren overeind. Maar voor de 73-jarige Mitar Vulic, een Bosnisch-Servische boer, is dit de mooiste plek op aarde. ,,Kijk toch eens'', zegt hij en hij wijst ontroerd op de sappige groene velden en de berghelling om hem heen. ,,Tijdens de oorlog, toen we moesten vluchten, was mijn enige wens om hier terug te keren.''

Die wens is drie jaar geleden in vervulling gegaan, maar desondanks blijft het tobben voor hem en een dozijn andere dorpelingen die zijn teruggekeerd. Ze wonen in provisorisch opgelapte huizen, hebben vrijwel geen geld of vee en moeten het verder stellen met wat armetierige groentevelden en bijenkasten. Net genoeg om zichzelf in leven te houden.

Met belangstelling hoort de Nederlandse ritmeester Lane den Hollander het relaas van Vulic en enkele anderen aan. Hij belooft binnenkort terug te komen om een oplossing voor hun problemen nader te bespreken. Het is Den Hollanders eerste bezoek aan dit dorp, dat aan een afgelegen weggetje ten noorden van het stadje Livno ligt. Sinds gisteren staat dit gebied, dat in de jaren '90 zwaar door de oorlog werd geteisterd, onder controle van Nederlandse militairen.

Op een Canadese basis in de plaats Tomislavgrad werd gisteren plechtig het beheer over de streek rond Livno overgedragen aan de Nederlandse militairen van de vredesmacht SFOR. Hierdoor zijn de Nederlanders plotseling verantwoordelijk voor de veiligheid in een gebied dat bijna twee keer zo groot is als wat ze tot dusverre bestreken. In totaal wonen er 250.000 mensen in het gebied, van wie 90.000 in het nieuwe gedeelte.

De ruim 1.250 Nederlanders zullen het extra werk moeten klaren zonder extra mankracht of middelen. Eerder dit jaar heeft de NAVO namelijk afgesproken het aantal SFOR-militairen van 18.000 te verminderen tot 12.000. Geleidelijk aan, zo redeneert het buitenland, moet Bosnië op eigen benen leren staan.

De troepenreductie stuit op weinig weerstand. Er zijn de laatste tijd niet veel incidenten van betekenis geweest in het gebied. Wat overigens niet wil zeggen dat de Nederlanders en hun collega's geleidelijk aan hun biezen wel kunnen pakken. ,,Het zou heel erg zijn als SFOR vertrok'', zegt een andere oude man in een huis langs hetzelfde afgelegen weggetje ten noorden van Livno. ,,Ik heb geen vertrouwen in de Bosnische regering.'' ,,Het blijft goed dat iedereen SFOR ziet'', meent ook majoor Theo van de Krol van de stafafdeling operaties op de centrale Nederlandse basis in Bugojno. ,,Als we er niet waren, zou er toch weer ruimte zijn voor intimidatie.''

Nog steeds ook blijft het onderlinge wantrouwen tussen moslims, Kroaten en Serviërs groot. Zo'n zeven jaar na de oorlog zijn er bijvoorbeeld in de verwoeste Servische wijk van het vooral door moslims bevolkte Bugojno, vlakbij de Nederlandse basis, nog maar een handvol mensen teruggekeerd. Sommigen zijn wel even teruggeweest en hebben op hun bouwval een telefoonnummer geschreven voor eventuele kopers. Op een staketsel van muren staat zelfs een vraagprijs geschreven: 30.000 mark, later verminderd tot 27.000 mark.

Intussen groeit echter het besef dat het grootste probleem in Bosnië allang niet meer van militaire aard is, maar schuilt in de economische achterstand. Het land produceert bijna niets, op wat agrarische produkten na. De weinige industrie die er was, nog daterend uit de socialistische tijd van Tito, is niet langer levensvatbaar. Een treurige getuige hiervan is het gigantische complex van de Bradvo-fabrieken in Novi Travnik, waar onder meer wapens werden gemaakt. Van de 3.000 arbeiders van weleer werken er nog 500 in de roestige hallen, maar die hebben inmiddels al een paar maanden geen salaris meer betaald gekregen, omdat het bedrijf eigenlijk failliet is. Ze produceren geen dingen meer waar de rest van de wereld belangstelling voor heeft en het ontbreekt hun aan scholing en ondernemingszin om daarin verandering te brengen.

Op veel plaatsen is 70 procent van de bevolking werkloos. Dat betekent overigens niet dat ze sterven van de honger, want de Bosniërs zijn taaie scharrelaars, die altijd wel op de een of andere manier het hoofd boven water weten te houden. Maar aantrekkelijk voor investeerders is het land niet. Ook heeft Bosnië jongeren heel weinig te bieden. Die blijven dan ook massaal weg, vooral in de dorpen.

De volwassen kinderen van Nevenka Pilic (78), een Kroatische uit het dorpje Dobretici bij Jajce, bleven liever achter in de Kroatische stad Rijeka dan hun intrek te nemen in het schuurtje naast hun huis, dat na hun vlucht in 1992 werd verwoest. ,,Veel jongeren willen best terug naar hun geboortedorp, maar er is hier helemaal geen werk'', zegt ze.

Vooral het Westen, dat nog altijd een toonaangevende rol speelt in Bosnië, streeft ernaar de etnische zuiveringen van de jaren '90 zoveel mogelijk ongedaan te maken. In dat kader is er bijvoorbeeld in Dobretici, dat alleen via een steile, onverharde weg is te bereiken, met Nederlandse hulp een school gebouwd. Aangezien er echter pas enkele honderden mensen waren teruggekeerd van de circa 5.000 mensen die hier voor de oorlog woonden en er dus niet genoeg kinderen en onderwijskrachten waren, staat de school nog altijd leeg. De hoop is nu dat die deze herfst kan beginnen.

De vraag is echter gewettigd of een ontvolkt dorpje als Dobretici nog wel toekomst heeft. ,,Bij die plannen om alle vluchtelingen weer naar huis te laten terugkeren is men eraan voorbijgegaan dat ook zonder oorlog het Bosnische platteland, net als dat in veel andere landen, sterk te lijden zou hebben gehad onder ontvolking'', zegt luitenant-kolonel Schaberg, de bataljonscommandant in Bugojno.

Ook Carel Brands, tweede man op de Nederlandse ambassade in Sarajevo, erkent dat het onwaarschijnlijk is dat alle vluchtelingen zullen terugkeren, al wijst hij erop dat het afgelopen jaar bijna 100.000 mensen zijn teruggekeerd. De kunst is om steun te geven op plaatsen waar dat echt zin heeft. En dat is erg lastig, want de behoeften zijn in Bosnië nog altijd oneindig veel groter dan het beschikbare hulpgeld.

Ook de Nederlandse militairen moeten woekeren met de fondsen die ze hebben voor de zogeheten civiel-militaire samenwerking. Hiermee hopen de militairen het vertrouwen bij de burgerbevolking te vergroten. ,,Ik hoop dat u net zo tevreden over de samenwerking met ons zult zijn als over die met de Canadezen'', zegt ritmeester Den Hollander bij zijn afscheid van Mitar Vulic.

Maar de werkelijkheid is dat Den Hollander en zijn collega's maar 355.000 mark in zes maanden tijd hebben te besteden en daarmee kun je zelfs in het arme Bosnië maar weinig doen.