Mieren in de badkamer

MAIORI. Als beesten vochten de wachtende reizigers om de trein in te mogen en als beesten vochten andere reizigers om de trein te mogen verlaten, een vrouw riep heel hard `stronza', maar toen iedereen eenmaal in de trein zat die daar ook in moest zitten bleek dat de beschaving het soms wint. Mannen van middelbare leeftijd hingen uit het raam, jonge mannen keken vruchtbaar om zich heen en vrouwen deelden hun lichaam met een handvol kinderen.

Met ongeveer vijftig kilo overgewicht bereikten wij Maiori aan de kust van Amalfi. Het overgewicht zat in een paar of zeven schoenen, aangeschaft in het stadje Scalea tijdens een lokale regenbui. De schoenenhandelaar liet ons niet uit zijn half verduisterde schoenenwinkel vertrekken. Hij berekende ons prijzen die we nooit aan zijn vrouw mochten vertellen. Ik ben gevoelig voor dergelijke praktijken.

De kleine waanzin, noem het passie, had ons toch nog bereikt en de vorm aangenomen van schoeisel. In de stationsrestauratie van Scalea dronken wij gifgroene likeur. Geef mij de stationsrestauratie van een kleine tot middelgrote Italiaanse stad en ik verzoen mij met mijn gebreken, want nergens is de toekomst zo onzichtbaar.

Het historisch centrum van Maiori, niet veel groter dan anderhalve straat, bleek per taxi onbereikbaar. Op een tamelijk willekeurige plek zette de taxichauffeur uit Salerno ons uit zijn auto. Hij moet hebben gezien dat hij te maken had met waanzinnigen. Overal zaten schoenen, in tassen, in koffers, los in de hand, om onze nek, en uiteraard ook nog aan onze voeten. Wij hadden nu in totaal zeventien paar schoenen bij ons en het was zaak het daarbij te laten.

Casa Conforti, ons pension in Maiori, zou gevestigd zijn op de tweede verdieping van een kasteel uit de achttiende eeuw. Dat kasteel viel wel mee, maar de tweede verdieping klopte. Een lift was er niet, wel een zware stenen trap, waarschijnlijk een cultuurschat. Op de eerste verdieping was de studio van een fotograaf gevestigd. Zo halverwege de eerste en tweede verdieping gebeurde het. Mijn koffer, gevuld met wat kleren, boeken, zeven paar schoenen, schoenlepels en van die houten dingen die je in je schoenen moet stoppen om ze recht te houden, een cadeautje van de winkelier uit Scalea, glipte uit mijn handen. Met een onheilspellend geluid daalde de koffer alle trappen af die ik net met hem beklommen had.

De reisgenote die al boven was slaakte een kreet die zo mogelijk nog onheilspellender was. De fotograaf op de eerste verdieping kwam uit zijn studio. De reisgenote rende naar beneden en toen ze mij zag riep ze: ,,Je bent gered. Ik dacht dat je dood zou zijn.''

In Scalea had ik tenminste nog het besef gehad dat we bezig waren de realiteit uit het oog te verliezen, ik stond machteloos, maar ik wist dat het gebeurde. Nu liet ook dat besef me in de steek.

De realiteit was verdwenen en ik zei: ,,Ja, ik ben gered.''

Op de begane grond stonden vier oude mannen naast mijn koffer. Met de sociale controle zat het hier wel goed.

,,Va bene,'' zei ik tegen de heren, ,,tutto va bene.'' En ik begon voor de tweede keer de koffer naar boven te trekken.

Casa Conforti werd op dat moment van de dag alleen bewoond door een dienstmaagd van een jaar of vijftig. Zij had priemende ogen, waarmee ze je net niet aankeek. Ze keek de hele tijd naar iets wat vlak achter je gebeurde en aan de manier waarop ze keek was er geen twijfel mogelijk dat dat iets een wonder was.

Al met al had de dienstmaagd nog weinig gezegd, en het leek me verstandig een gesprek te beginnen om haar langzaam duidelijk te maken dat ik een reservering had.

,,Sorry voor het lawaai,'' zei ik, ,,een koffer glipte mij uit de handen.''

Maar ze sprak geen Engels. Ze keek nog steeds naar iets wat vlak achter mij gebeurde.

Toen ging de telefoon, ze nam op en ik bestudeerde familiefoto's die aan de muur hingen. Gezien de kleding van de mensen op de foto was de kans groot dat geen van hen meer leefde.

Nu richtte de dienstmaagd eindelijk het woord tot ons, met de hoorn van de telefoon nog in haar hand. Uit haar woorden begrepen we dat ze vroeg: ,,Spreekt een van jullie Spaans?''

Toen dat niet het geval bleek te zijn gooide ze de hoorn zonder iets te zeggen op de haak. Dit leek me niet een van de meest toegankelijke dienstmaagden die ik had ontmoet.

Nog relatief snel maakten wij haar duidelijk waarvoor we kwamen. Ze pakte een sleutel en opende de deur van de kamer naast de receptie. Voor we naar binnengingen sloeg ze een kruis.

De kamer was zeer groot. Over de stoelen op het balkon lag wat ondergoed te drogen, maar dat vouwde de dienstmaagd netjes op voor ze ons de rest van de kamer liet zien. Toen ze de badkamerdeur opende sloeg ze ook een kruis.

Er woonden mieren in de badkamer. Kleine mieren, maar wel veel.

,,Prima'', zei ik.

Maar de dienstmaagd stond erop ons nog meer laten zien.

We namen een trap naar boven, op een plankje naast de trapleuning lagen hotelgidsen uit het jaar 1997.

Het appartement op de derde verdieping rook sterk naar dode katten, maar was verder van alle gemakken voorzien.

Als ik moet kiezen tussen dode kat en mieren, kies ik voor de mieren. Toen de dienstmaagd onze paspoorten in ontvangst nam staarde ze weer naar een gebeurtenis direct achter ons. Dit keer keek ze niet alsof ze één wonder zag, maar vele tegelijk.

De reisgenote ging douchen. Ik ging het balkon op en merkte dat daar een bakje met zoute stengels stond dat er net niet had gestaan. In de kamer naast de onze werden de balkondeuren met een klap gesloten.

In de verte zag je de zee, maar daarvoor was een kleine parkeerplaats, direct onder ons balkon. Vanaf de parkeerplaats staarde een kind op een driewieler mij, naar mijn idee, kwaadaardig aan.

,,Iemand woont op ons balkon'', zei ik in de badkamer.

,,Houd je eigenlijk nog wel van me?''

,,Ik zei, iemand woont op ons balkon.''

Met een washand begon ik mieren dood te drukken.

,,Moet je ruiken'', zei de reisgenote. ,,Deze handdoek ruikt naar azijn.''

Ik rook. De handdoek rook inderdaad sterk naar azijn.

Toen we uit de kamer kwamen was de dienstmaagd bezig foto's recht te hangen. Volgens onze informatie beschikte Casa Conforti over een privéstrand en het werd tijd dat te exploreren.

,,Spiaggia privata?'' vroeg ik.

De dienstmaagd wees naar voren, naar links, en toen weer naar voren. Daarop sloeg ze een kruis, en toen zei ze nog iets.

,,Wat zegt ze?'' vroeg ik.

,,Ze zegt iets over het weer, maar ik kon niet verstaan wat.''

Het privéstrand bleek niet erg privé. Naast een bord waarop `noleggio' stond en waarop boten waren getekend, zat een man aan een tafel.

,,Kijk,'' zei ik, ,,`noleggio'. Die man verhuurt bootjes, laten we een bootje huren.''

,,We neuken ook nooit meer'', zei de reisgenote.

De man van het bootverhuur droeg een merkwaardige wollen muts, het geheel had iets Vietnamees.

Hij leek ons te verwachten.

,,Je kijkt ook zo anders naar me'', zei de reisgenote.

,,Motore'', zei ik tegen de man met de wollen muts.

Hij wilde weten waar we logeerden.

,,Casa Conforti'', zei ik.

Hij glimlachte voldaan en richtte zijn blik op de hemel. ,,Casa Conforti'', zei de verhuurder van boten.

,,En als we neuken moet het licht uit'', zei de reisgenote.

En ik zei: ,,Kijk, daar komt onze boot.''

Onze boot was een kleine vissersboot. Bij de motor zat een jongeman, meer een kind. Hij gebaarde dat we dichterbij moesten komen

Ik rolde mijn broekspijpen op. Nog even dan zou de zee van ons zijn en wij van de zee.

(wordt vervolgd)