Liefde in steeds kleinere cirkels

Martha Nussbaum werd beroemd met haar herwaardering van ethiek en haar humanistische verdediging van emoties. Maar inmiddels kolkt de wereld van heel andere sentimenten. In plaats van mensenrechten willen we een krijgersethiek. De tragiek van een links-liberale intellectueel.

Als Martha Nussbaum op tijd in Philadelphia was geweest, de dag dat haar moeder overleed, zou haar jongste boek misschien nooit geschreven zijn. Maar Nussbaum bevond zich op tournee in Europa en werkte aan een lezing, toen ze het bericht kreeg dat de toestand van haar moeder kritiek was. Tegen de tijd dat ze op de intensive care arriveerde, was het te laat. Ze barstte in tranen uit, schrijft ze in het eerste hoofdstuk van Upheavals of Thought. Alle symptomen van haar ontreddering worden openhartig opgesomd. De koortsige droom, waarin ze `beautiful mommy' fluistert als haar zieke moeder opdoemt aan het voeteneind van haar bed. De angst in het vliegtuig terug, het zelfverwijt, de woede jegens het ziekenhuispersoneel, de onbedaarlijke huilbuien, de nachtmerries waarin een griezelig dier over haar bed kruipt. Tussen de bedrijven door schrijft ze verder aan deze studie over menselijke emoties. Het resultaat heeft een omvang van 750 pagina's en ligt nu, tien jaar later, in de boekhandel.

Opent Upheavals of Thought nog als een autobiografische soap, al na luttele bladzijden verandert de toon. Dan blijkt dat Nussbaum haar persoonlijke verlies als de centrale casus opdient van een cursus emotiefilosofie, die de rest van het hoofdstuk in beslag zal nemen. Alles draait om de stelling dat emoties intelligente reacties zijn die van fundamenteel belang zijn voor het persoonlijk leven, maar ook voor de ethiek en politiek. Het bewijsmateriaal voor die stelling is afkomstig uit de cognitieve psychologie en de theorie van object-relaties, een verwaterde Amerikaanse versie van de psychoanalyse.

Na deze psychologische verkenningen volgt een politiek deel, waarin ze verdedigt dat compassie en empathie aan de basis liggen van een democratische cultuur. En tenslotte onderneemt ze haar uit eerder werk al vertrouwde speurtocht naar de ware liefde, die niet regressief en bezitterig mag zijn, maar ook niet ijl en gesublimeerd, en werkelijk ruimte moet laten aan de ander. De hele westerse canon van literatuur en filosofie wordt daarbij overhoop gehaald, van Plato via Augustinus en Dante naar de romantiek van Emily Brontës Woeste Hoogten, en verder, langs Proust naar het heden. Welke liefde is de beste? De wisseltrofee gaat deze keer verrassend genoeg naar het personage Leopold Bloom uit Ulysses van James Joyce, die bedrogen wordt door zijn vrouw maar niet ingrijpt en haar vergeeft.

De details van haar eigen verdriet om het verlies van haar moeder illustreren wat ze precies onder een `emotie' wil verstaan. Emoties zijn geen doelloze irrationele ervaringen, leert Nussbaum. Hun belangrijkste kenmerk is juist dat ze `cognitief' zijn, gericht op kennis, en waardevolle informatie bevatten. Daarnaast hebben emoties nog drie andere eigenschappen: het zijn waardeoordelen, ze gaan over zaken buiten onze macht, en ze zijn belangrijk voor onze zelfontplooiing. Zo is Nussbaums eigen verdriet gebaseerd op het cognitieve oordeel: `mijn fantastische moeder is overleden'. Het intentioneel object van dat oordeel is `de belangrijkste persoon in mijn leven'. Als mijn moeder niet zo enorm belangrijk voor me was geweest, zou mijn verdriet niet zo intens zijn, stelt de filosofe ten overvloede vast.

Er is geen speld tussen te krijgen. Een sluitender bewijs van moederliefde zal niet gauw geleverd zijn. Toch bereikt ze met deze formuleringen precies het omgekeerde van wat ze beoogde: je gaat twijfelen. Haar tranen glijden langs je af, de redeneringen stemmen sceptisch. Wat wil deze dochter zichzelf eigenlijk bewijzen, denk je na de zoveelste opmerking over haar `fantastische moeder'? Welke duistere sentimenten mogen hier het daglicht niet zien?

Martha Nussbaum (1947), momenteel als Ernst Freund Professor of Law and Ethics verbonden aan de Universiteit van Chicago, is al jaren een van Amerika's meest prominente filosofen. Ze heeft een omvangrijk oeuvre op haar naam gebracht, met als briljant hoogtepunt The Fragility of Goodness (1986), een studie over emoties bij Plato, Aristoteles en in de Griekse tragedie. Andere gerenommeerde titels van haar zijn Love's Knowledge (1990), over liefde en narratieve verbeeldingskracht, en Cultivating Humanity (1997), over de universiteit als opleiding tot wereldburgerschap. In Nederland verwierf ze enkele jaren geleden naamsbekendheid door een opmerkelijk optreden in het VPRO-programma `Van de Schoonheid en de Troost' waarin Wim Kayzer intellectuelen ondervroeg over de titelthema's. Kayzer liet Nussbaum ook praten over haar ouders: een drankzuchtige moeder (een detail waarover ze in haar boek zwijgt) en haar racistische vader. Daarna filmde hij haar terwijl ze zich fanatiek in het zweet werkte op de hometrainer. Achteraf blijkt dat gesprek een aankondiging van haar nieuwste boek: wat ze Kayzer vertelde over Mahlers Kindertotenlieder komt er zelfs letterlijk in terug.

Nussbaum is van oorsprong classica en vestigde haar reputatie in één klap met The Fragility of Goodness (1986). Met deze studie, bedoeld als een onderzoek naar ethiek bij de oude Grieken, brak ze onverwacht door naar een groter publiek. Het boek was een verademing, na de bloedeloze taalfilosofische en logische abstracties van de analytische wijsbegeerte. Nussbaum liet zien dat je met grote denkers uit het verleden wel degelijk in een menselijk gesprek kunt raken over gewone dingen des levens, over liefde, geluk, verdriet en dood. Haar beste vriend was Aristoteles, aan wie ze het inzicht ontleende dat alle ethiek gebaseerd is op emoties en dat het menselijk geluk kwetsbaar is, broos en breekbaar zoals de titel zegt, in een wereld die we nooit compleet onder controle kunnen en zullen krijgen.

Het spectaculaire succes van The Fragility of Goodness gaf aan dat er iets veranderd was, niet alleen binnen de filosofie maar ook daarbuiten. Buiten brak het welvaartsliberalisme van de jaren tachtig en negentig aan. De koelkasten gevuld, de vakanties geboekt, in materieel opzicht liep alles op rolletjes. Dus nu nog de zin van het bestaan.

Het antwoord op die vraag naar zingeving zocht men bij de filosofie. Die mocht weer gaan over herkenbare problemen in plaats van de scholastieke finesses van taalkundige betekenistheorie of meerwaardige logica. En er was niets op tegen om die nieuwe filosofie een persoonlijke invulling te geven, integendeel. Het waren jaren van de onstuitbare opmars van het vak ethiek, in een nieuw hecht bondgenootschap met de emoties. Wat is geluk? Hoe moeten we leven?

Nussbaums thematiek, ook nog eens verpakt in een brede kennis van de westerse literatuur, vond gretig aftrek. De recensies waren laaiend enthousiast. Haar ster als publieke filosofe en intellectueel steeg snel, ze gaf interviews, kreeg eredoctoraten en werd uitgenodigd voor lezingen over heel de wereld. Ze had zelfs uiterlijk alles mee: een kruising tussen Simone de Beauvoir en Catherine Deneuve in Amerikaanse verpakking, uitdagend interdisciplinair maar ook plezierig representatief, met gesoigneerd kapsel en perfecte make-up. In Nederland, het achterland van het tijdschrift Filosofie Magazine, waar de commercialisering en privatisering zich destijds sneller voltrokken heeft dan elders en waar inmiddels op bijna iedere straathoek een filosofisch adviseur of therapeut zijn diensten aanbiedt, verwierf ze cultstatus. Martha Nussbaum was helemaal de nieuwe intellectueel op wie iedereen zat te wachten.

Dat was misschien te veel gevraagd. Want terwijl haar reputatie groeide, kreeg haar toon in de loop der jaren iets galmends, iets prekerigs. En dat is ook te merken in dit nieuwe boek. Want ondanks de zinderende thematiek blijft Upheavals of Thought over het geheel genomen een plichtmatig boek, dat op een merkwaardige manier, ondanks alle empathische en emotionele inzichten, maar niet tot de kern van de zaak wil komen. Voortdurend verspringt Nussbaum van onderwerp, waardoor haar stijl iets monotoons krijgt, iets van zwoegend kilometers maken op de hometrainer, op weg naar nergens.

Wat is er gebeurd?

Achteraf gezien is Nussbaums verpletterende succes geen onverdeelde zegen geweest. Ze ontdekte haar roeping: niet alleen maar mooie boeken schrijven, maar ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de wereld. Als opiniemaker begon ze zich te werpen op de publieke zaak. Ze maakte deel uit van commissies van de Verenigde Naties, ijverde voor de rechten van homo's, gaf haar mening over gentechnologie, vrouwenbesnijdenis, de hervorming van het onderwijs en de toekomst van de universiteit. Sinds haar samenwerking met de econoom Amartya Sen, co-auteur van The Quality of Life (1993), is ze vooral begaan met de positie van de vrouw in de Derde Wereld.

Haar grote helden uit de filosofische traditie bleven prominent aanwezig in haar werk, maar nu om rechtstreeks kracht bij te zetten aan haar politieke standpunt. Als progressieve Amerikaanse liberal pleitte Nussbaum in For Love of Country (1996) voor een humanistisch kosmopolitisme in de trant van de Romeinse stoïcijn Marcus Aurelius, en tegen elke vorm van etnocentrisme of nationalisme. Ze verwees naar Socrates ter verdediging van een ruimdenkend, multicultureel universitair lesprogramma. In het werk van Aristoteles trof ze een normatief fundament aan voor het idee van wereldwijde mensenrechten. Met Plato in de hand verklaarde ze tijdens een proces over homoseksualiteit, waar ze als filosofische getuige-deskundige optrad, dat homoseksualiteit destijds bij de verlichte Grieken normaal gevonden werd – tot woede van conservatievere classici die daar heel anders over dachten.

Nussbaums links-liberale politieke standpunten hebben een hoog moreel gehalte. Ze worden onveranderlijk met grote ernst en leerstelligheid verdedigd en dulden geen tegenspraak. Collega-academici die er andere ideeën op na houden, worden als valse profeten afgeserveerd. Nussbaum heeft inmiddels een serie intellectuele executies op haar naam staan. De filosoof Alisdair MacIntyre, die in zijn opzienbarende ethische werk After Virtue (1981) net als Nussbaum een lans brak voor een terugkeer naar aristotelische ethiek, maar met volkomen tegengestelde politieke consequenties, wist ze in een snoeiend stuk in The New York Review of Books te ontmaskeren als een katholieke reactionair. Judith Butler, radicaal-feministische salonheilige en auteur van moeizaam leesbare werken als Gender Trouble (1989), werd op haar beurt in naam van alle hongerige en onderdrukte Derde Wereld-vrouwen neergesabeld als een verwende campus-radicaal zonder echt hart voor de zaak. En Alexander Nehamas, auteur van The Art of Living (1999) dat gewijd is aan postmoderne levenskunst, kreeg te horen dat zijn project `weerzinwekkend narcistisch' was. Martha Nussbaum ontpopte zich als een vakkundig inquisiteur met een scherp oog voor de morele achilleshiel van haar opponent.

Naarmate die tirades in schrilheid toenamen en haar boeken dikker werden, begon Nussbaums eigen filosofische achilleshiel langzaam duidelijk te worden. Ze was zo ijverig met het verbinden van grote namen als Plato en Aristoteles aan haar humanistische standpunten, dat ze soms de minder prettige werkelijkheid over het hoofd zag. Zo hebben allerlei critici erop gewezen dat het Athene van de antieke filosofen die zij zo bewondert, niet het democratische Chicago van Nussbaum is. In de Griekse polis waren vrouwen, slaven en handwerkers uitgesloten van burgerrechten, en er is niets in het werk van Aristoteles dat erop wijst dat hij het daar moeilijk mee had. Integendeel, hij accepteerde het als een natuurgegeven. Aristoteles was geen liberal of mensenrechtenactivist. Ook Plato's homoseksuele tafelgesprekken zijn geen bewijs voor een klimaat van humanistische openheid en cultureel pluralisme, zoals Nussbaum ons graag wil laten denken. Zulke seks was een voorrecht voor de mannelijke vrije burger, omgeven met strenge voorschriften omtrent wat wel en niet geoorloofd was.

Nussbaum weigert consequent na te denken over zulke verbanden tussen filosofie en een haar onwelgevallige historische context, zodat de problemen zich opstapelen. Wanneer ze bijvoorbeeld in Upheavals of Thought haar eigen emotietheorie `neo-stoïcijns' noemt, roept dat vragen op. Want je kunt van de Stoa zeggen wat je wil, maar niet dat ze een positieve relatie zagen tussen emoties en zelfontplooiing, zoals Nussbaum en, in haar gevolg, verreweg de meeste moderne filosofen van emotie en levenskunst. Het ethisch ideaal van de stoïcijnen is eerder de stiff upper lip: leven in onthechting, zonder emotionele verwarringen van de geest. Emoties mogen dan cognitief zijn, en niet alleen maar irrationeel, maar hun cognitieve inhoud is misleidend en vertroebelt de blik.

Je zou nu verwachten dat Nussbaum in haar eerste hoofdstuk een gedachte wijdt aan dit fundamentele verschil van mening over het verband tussen emoties en het goede leven, maar dat doet ze niet. Ze concludeert simpelweg dat de Ouden er op dit punt naast zaten. Dat de Stoa wel eens een heel ander, veel duisterder en destructiever domein van menselijke cognitieve verschijnselen tot de `emoties' zou kunnen rekenen dan zijzelf, die gevaarlijke gedachte komt niet bij haar op.

Die blinde vlek tekent de filosofie van Nussbaum, maar ook de geest van het progressieve humanisme waarvan zij het intellectuele kopstuk werd. Emoties en sentimenten zijn argumenten, inderdaad, maar het hoeven geen democratische argumenten te zijn, laat staan argumenten voor een betere wereld. Affectie begint nu eenmaal dicht bij huis en eindigt daar meestal ook. De concentrische cirkels van menselijke empathie, die volgens humanistische denkers als Nussbaum in principe steeds ruimer worden getrokken, van familie naar vriend en landgenoot om tenslotte de hele mensheid in te sluiten, hebben de neiging ook weer snel enger te worden in tijden van angst en dreiging, wanneer de emotionele temperatuur oploopt. Dat is het geval in de westerse wereld, zeker sinds 11 september 2001. Het pleit voor Nussbaums moed, dat ze twee maanden na de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon, in een artikel in The Nation het Amerikaanse volk opriep om meer dan ooit te bedenken dat wij allen kwetsbaar zijn, en dat alleen wederzijds begrip en een verruiming van de eigen morele horizon de mensheid kan redden. Te oordelen naar de ontwikkelingen hebben maar weinig Amerikanen zich er iets van aangetrokken.

Dat is veelbetekenend. Nussbaums lofzang op de menselijke kwetsbaarheid paste perfect in een tijd toen het leek of de wereld zo goed als klaar was, de ideologische strijd gestreden, de eeuwige vrede bijna een feit. Haar Bill Clinton hoefde alleen nog maar zijn democratische waarden naar de rest van de wereld te exporteren. Behalve Nussbaum was er in de jaren negentig nog een toonaangevende filosoof die zich over deze intellectuele missie ontfermde, de pragmatist Richard Rorty. En al zijn de verschillen tussen Nussbaum en hem opmerkelijk, hun overeenkomsten zijn dat evenzeer, zoals rechter en publicist Richard Posner vaststelde in zijn lezenswaardige Public Intellectuals (besproken in Boeken, 15.03.02). Rorty, een ironische relativist die zich steeds verder van de filosofie verwijdert, en Nussbaum, een serieuze universalist die onbeperkt gebruik maakt van het gezag van de filosofische traditie, zijn politieke zielsverwanten. Allebei beroepen ze zich op mededogen en sympathie als cement van een toekomstige wereldgemeenschap. Ze hebben allebei een zeer Amerikaans vertrouwen in de mens, wiens emoties van nature redelijk en altruïstisch zijn, en hoogstens door een ontwikkelingsstoornis de verkeerde kant op gebogen worden – waarna een deskundig therapeut de zaak weer kan bijstellen. Binnen dit progressief-liberale ideaal, afkomstig uit de Britse Verlichting, bestaat een opmerkelijk onvermogen om een plaats te geven aan emoties die dieper, ondergrondser, destructiever zijn – en daarom ook gevaarlijker – dan de empathische en nobele waarover Nussbuam het heeft. Want tegenover compassie staan niet alleen onverschilligheid of verveling, maar ook wantrouwen, angst, haat, jaloezie, wraakzucht en vernietigingsdrang. Een explosief mengsel, waarmee de welvarende liberale burger het altijd moeilijk heeft gehad.

Toch zijn het die explosieve passies die vandaag de dag actueel zijn. In Amerika heeft het intellectuele kosmopolitisme van het Clinton-tijdperk plaats gemaakt voor een agressief nationalisme, dat de wereld in een simpel goed/fout schema verdeelt en alleen nog bondgenoten en terroristen wil zien. Er is een nieuw strijdlustig idee van politiek gangbaar geraakt, waarin meewarig wordt gedaan over de `goede bedoelingen' en de morele gevoeligheid van weleer. Het is tijd voor oorlog. Intellectuelen zijn met hervonden trots conservatief, of op zijn minst vaderlandslievend. Op ongeveer hetzelfde moment dat Nussbaum de natie opriep tot compassie, ondertekenden toonaangevende collega's als Michael Walzer, Francis Fukuyama en Samuel Huntington een open brief waarin werd uitgelegd dat Amerika's oorlog een rechtvaardige oorlog is. Ook voor zulke noties is de klassieke, inhoudelijke ethiek bruikbaar die Martha Nussbaum met haar werk weer op de kaart heeft gezet.

Zo blijkt, in de onheilspellende beginjaren van de 21e eeuw, het idealistische humanisme van Nussbaum te argeloos, te abstract en vooral te weinig verankerd in de maatschappelijke realiteit om een antwoord te hebben op de angst, xenofobie en razernij die 11 september heeft ontketend. Maar wie het bij die conclusie laat doet onvoldoende recht aan de tragiek van de situatie. Nussbaum is het slachtoffer geworden van haar eigen succes. Ze wilde de cirkels van menselijke empathie ruimer maken. Maar haar vlijtige ontginning van het gebied van de emoties heeft ertoe geleid dat een meute filosofische zelfontwikkelaars haar terrein nu zijn gaan exploiteren om die cirkel juist te verengen. Hippe filosofen die bijklussen als dj op `empathische' housefeesten, marktbewuste consulenten tot postmoderne levenskunstenaars: allemaal draaien ze rond in de kleinste van alle concentrische cirkels: die van het eigen ego.

De keerzijde van hun fixatie op het eigen emotionele bestaansproject is dat in tijden van frustratie, als de dingen misgaan, de schuld wordt geschoven op `anderen' buiten de eigen circkel, die het moeten ontgelden. En daarmee heeft Nussbaum het monster gebaard, dat zij juist wilde bestrijden.

Martha Nussbaum: Upheavals of Thought. The Intelligence of Emotions. Cambridge University Press, 751 blz. €49,15