Grijp de krant!

Is het te laat voor de dagbladen? Al bijna een halve eeuw hoor ik het gebeier van de noodklok, dat afgeblate requiem over ontlezing, de oppermacht van de beeldcultuur, de onovertroffen websites, het weglopen van de adverteerders, de depolitisering, individualisering, wat heb je verder. Heer, schenk de kranten hun eeuwige rust. Daar komt het op neer.

Ik geloof er niks van. Eerst mijn persoonlijke argumenten. Een behoorlijk leven zonder krant kan ik me niet voorstellen. Ik word nieuwsgierig wakker. Eerst de kranten uit de bus! Dat zijn de Volkskrant en de International Herald Tribune. Koppen lezen, vluchtig op de opiniepagina's kijken wat mijn vrienden en mijn vijanden er vandaag van gemaakt hebben. Koffie, bakje yoghurt (om oud te worden en gezond te blijven) en intussen naar het radionieuws luisteren. Roepen tegen de nieuwslezer dat hij niet zo lang moet zeuren over de voetbalvandalen die voor veel schade hebben gezorgd, en de regen die voor veel wateroverlast zorgt. Nieuws wil ik horen, geen taalfouten en gekke zinsconstructies. Dat lees ik in de tram, in de krant.

Onderweg pik ik nog een achtergelaten Spits en Metro mee. Mooie krantjes, allebei met een strikt eigen persoonlijkheid. Dan, op de krant, praten we over het nieuws dat we in de krant hebben gelezen. We gaan aan het werk.

's Avonds het televisienieuws. Ja, dat is interessant omdat je over de feiten al in de avondkrant hebt gelezen, omdat er misschien een vervolg op is, en omdat je de volgende ochtend weer nieuwsgierig bent naar het vervolg op het vervolg, en wat de mensen ervan vinden. De `gewone' mensen, de veroorzakers van het nieuws en de deskundigen. Ik geef toe: een voordeel van de televisie is dat je het hoofd van al die mensen erbij ziet. Over wat `er dan door je heen gaat', kun je dan in de krant weer schrijven. Zwart op wit komt alles op een of andere manier beter tot zijn recht; het wordt definitiever.

Leven is beweging. Dat alles beweegt, lees je zes dagen per week in de krant. Nieuws is een elixer. Op de zevende dag doen we in Nederland alsof de wereld stilstaat. Geen zondagsbladen en het televisienieuws een flauw aftreksel. Verdund elixer is geen elixer. Ik vind het een gebrek in onze cultuur.

Ik kom tot een algemene beschouwing. Ik ben van mening dat de dagbladondernemingen allemaal, overal waar de cultuur van geletterdheid heerst, al een jaar of twintig, dertig geleden hadden moeten investeren in het onderwijs. Lagere school: taal, aardrijkskunde en geschiedenis. Middelbare school: nog meer taal, literatuur, nog meer aardrijkskunde en nog veel meer geschiedenis, van de oudheid tot de eigentijdse. Dat zou een investering zijn geweest in het grondkapitaal van iedere krant. In lezen heb je alleen plezier, of je ziet er alleen het nut van in, als je begrijpt wat je leest. Uit begrip wordt nieuwsgierigheid geboren. De dagbladondernemingen hadden zitting moeten hebben in schoolbesturen, curatoria van universiteiten, lobbies moeten onderhouden om de onderwijspolitiek van de regering te beïnvloeden.

In plaats daarvan hebben ze - gelukkig niet allemaal, en niet in dezelfde mate - hun best gedaan om mee te huilen met de wolven in het bos. Het is pas goed begonnen toen het Sovjet-rijk zichtbaar lag te zieltogen, terwijl in het Westen de hoorn des overvloeds zich opnieuw opende. Dit betekende dat van de vier gevaren die ons mensen altijd boven het hoofd hangen, er twee steeds verder uit het zicht verdwenen: oorlog en armoede. (De andere twee zijn ziekte en dood).

Natuurlijk heeft dat zijn invloed op de algemene stemming gehad, vooral nadat het tot ieders verrassing steeds sneller steeds beter ging. Een ongekende zorgeloosheid maakte zich van het Westen meester. Steeds meer mensen die vroeger lazen, wilden niet meer gehinderd worden met nieuws waarvan ze de gevolgen toch nooit zouden merken. In plaats daarvan wilden ze nog meer aan het lachen worden gemaakt, pret hebben, plaatjes kijken. Dag- en weekbladen pasten zich aan. Niet allemaal gelukkig. De New York Times, het eerste katern tenminste, ziet er in opmaak nog ongeveer zo uit als de editie waarin gemeld stond dat de Titanic was gezonken. Hubert Beuve-Mery zou zijn oude Le Monde nog wel herkennen.

Nu, na een jaar of tien, keren de gewone tijden weer terug. In een andere gewoonheid natuurlijk dan de gewoonheid die we omstreeks 1989 hebben verlaten. Maar we ontdekken dat de wereld zich losmaakt uit de verstarring van een decennium entertainment. Het publiek dat het lezen niet verleerd heeft, begint te beseffen dat er een soort nieuws is, uit stad, land en wereld, waarbij het een direct levensbelang heeft. En dan is er natuurlijk een ander publiek, dat het nog niet goed in de gaten heeft, omdat het niet weet wat het lezen van een krant is. Die daartoe horen, gaan dat ontdekken, ze zullen wel moeten.

Dit alles aan het adres van de makers van Het Parool, die de stap naar zelfstandigheid wagen. Dit is de goede tijd. Alles komt weer in beweging, betere tijden breken aan. (Voor de kranten, tenminste).