Drama

Op een zaterdag in juli ging ik 's middags om een uur of half drie achter de haven van Vlieland het strand op. Het was een warme dag, de zon brandde aan een wolkeloze hemel. Op Vlieland is het, goddank, nooit druk op het strand, maar op deze plek hadden zich toch enkele tientallen mensen verzameld.

Op de opgang naar het strand waren enkele badgasten in een druk gesprek verwikkeld met twee politiemensen. Ze waren opgewonden en geschrokken. Ze vertelden dat ze juist iemand hadden zien verdrinken. Hij had zich ver, veel te ver in zee bevonden en was, wanhopig spartelend met zijn armen, ten onder gegaan. `Hij', ja, want bij roekeloos gedrag wordt er automatisch van uitgegaan dat het een man betreft. Hij zou op de vaarhoogte van de grote schepen hebben gezwommen, enkele honderden meters uit de kust. Ik huiverde. Bij deze krachtige golfslag stond dat gelijk aan zelfmoord.

De politiemensen namen de melding uiterst serieus en riepen meteen reddingswerkers op. Ik liep door en zag even later dat een reddingsboot de zee op de aangewezen plek begon af te zoeken. Verder was er niets aan de hand. De andere badgasten waren zich niet bewust van het drama dat zich onder hun ogen had afgespeeld, en luierden rustig door. Hun kinderen bouwden gelukkig aan hun zandkastelen. Ik was de toevallige, indirecte getuige geweest van een verdrinking.

Zó kun je dus ook doodgaan, peinsde ik, opeens somberder dan ik zou willen op zo'n mooie dag. Eén bui van overmoedigheid maakt dat je eeuwig schreit (het woord `overmoedigheid' bestaat niet, maar het rijmt en het is hier meer op zijn plaats dan `onbedachtzaamheid'). De dood was nu eens geen dief in de nacht geweest, maar een inbreker op de middag, doortastend, openlijk, schaamteloos.

Ik verplaatste me in de badgasten die getuige van het drama waren geweest, en benijdde hen niet. Die wanhopige armen, langzaam verslappend boven de golven, dat leek me nou echt iets waarvan je vijftien jaar later nog opeens een nachtmerrie kon krijgen. En zouden zij zélf nog ooit rustig in zee kunnen zwemmen, zonder bijgedachten?

Ik kon de gebeurtenis de rest van het weekend moeilijk uit mijn hoofd zetten, en kocht de daaropvolgende dagen de kranten, ook de regionale, om te zien of men het lijk had gevonden.

Merkwaardig.

Geen enkel bericht over een verdrinking of vermissing op Vlieland. Had de politie van Vlieland het om een of andere reden verzwegen voor de pers?

Een paar weken later belde ik thuis de Vlielandse politie op. Ja, zei een politieman, hij herinnerde zich de zaak. Ze hadden met zeventig mensen, vier reddingsboten en een helikopter urenlang gezocht. Uiteindelijk bleek het loos alarm te zijn geweest. De getuigen hadden een badgast gezien, een zeer geoefende zwemmer die de stromingen ter plekke goed kende en graag zo ver mogelijk in zee ging. Zeven jaar geleden had hij ook al eens op deze manier opzien gebaard. De politie had hem gewezen op de gevolgen van zijn gedrag.

Haalde ik opgelucht adem? Nee, ik was vooral kwaad op die kerel. De dood, die tart je niet, vind ik, en áls je het doet, doe het dan voor eigen rekening.