De weg van de roomse dichter liep snel dood

`Dat Henri Bruning, Anton van Duinkerken en Jan Engelman alle drie katholiek zijn, bewijst niets voor een overeenkomst in stijl; het katholicisme is voor hen weliswaar achtergrond, die zekere reserves in hun drieër werk verklaarbaar maakt, maar daarmee houdt het gemeenschappelijke dan ook op.' Dat beweerde Menno ter Braak in het hoofdstukje `De geloovigen doen mee' in zijn essaybundel Mephistophelisch (1938). Hij oordeelde over protestantse dichters niet anders. `En hoe zou het ook mogelijk zijn van afzonderlijke katholieke en protestantsche stijlphaenomenen te spreken, waar de oude afzondering dier volksgroepen niet meer gehandhaafd kan worden (behalve ten koste van cultureele volwaardigheid) en hun voornaamste letterkundige verteegenwoordigers er prijs op stellen niet voor welopgevoede `heidenen' onder te doen!'

Ter Braak ontleende zijn uitspraken aan zijn artikel `Religieuze dichters' in Het Vaderland van 10 mei 1936, waarin hij een aantal dichtbundels van zowel rooms-katholieke als protestantse dichters gezamenlijk had besproken. In het boekenweekgeschenk Rondom het boek 1935 had Van Duinkerken, de belangrijkste katholieke penvoerder uit het interbellum, een jaar eerder juist gewezen op de gunstige vooruitzichten van de katholieke letterkunde in Nederland. Hij zag `een schoonheid opbloeien, die, volkomen modern, volkomen Nederlandsch, aan de godsdienstig-katholieke inspiratie rustig, eenvoudig en deemoedig gehoorzaamt'.

Die spanning tussen enerzijds een uitgesproken katholieke dichtkunst en anderzijds pogingen als roomse dichter niet onder te doen voor `welopgevoede ``heidenen''' wordt heel precies en met veel oog voor relevante details beschreven in Mathijs Sanders' Utrechtse proefschrift Het spiegelend venster. Sanders' studie beslaat de periode 1870 tot 1940 en is voornamelijk gebaseerd op literair-kritische teksten uit rooms-katholieke letterkundige en algemeen-culturele tijdschriften. Voor deze zelfopgelegde beperking voert Sanders overtuigende argumenten aan. Maar het is niettemin onbevredigend dat hij met name het institutionele aspect grotendeels negeert en daardoor weinig aandacht besteedt aan de rol van bijvoorbeeld uitgeverijen, boekhandels en verenigingen als de in 1901 opgerichte Katholieke Kunstkring De Violier of het oudere Bernulphusgilde, dat in de jaren twintig streed tegen wansmaak in de religieuze kunst.

Actualiteit

Begrijpelijk, maar jammer is het dat Sanders eveneens de katholieke dagbladpers grotendeels terzijde laat. Het argument van Sanders dat tijdschriften door hun periodiciteit bij uitstek geschikt zijn om de literaire actualiteit op de voet te volgen, geldt immers nog sterker voor dag- en weekbladen. Een weekblad als De Nieuwe Eeuw – met redacteuren als Pieter van der Meer de Walcheren en later Jan Engelman, dagbladen als De Tijd – met critici als Anton van Duinkerken en alweer Engelman – of de conservatievere De Maasbode – met een criticus als de in Sanders' studie toch al onderbelichte jezuïet J. van Heugten – hadden een symbiotische relatie met allerlei tijdschriften. De rol van die dag- en weekbladen bij de verspreiding van de in de literaire tijdschriften aangezwengelde discussies en geventileerde opinies kan moeilijk worden onderschat.

Weer wél aantrekkelijk van Sanders' studie is dat hij de opvattingen die geventileerd werden in katholieke tijdschriften in verband brengt met ontwikkelingen in niet-confessionele, socialistische en protestants-christelijke kring. Sanders' studie bevestigt de eerder geopperde stelling dat de zuilen weliswaar een eigen culturele omgeving creëerden, maar dat het onderwerp van het poëticale debat gedomineerd werd door het niet-verzuilde circuit. De twee jaar geleden verschenen bundel Andere katholieken van Paul Luykx had al laten zien dat het beeld van de katholieke eenheidszuil nuancering behoeft. Er was een progressieve minderheid, een behoudende meerderheid kunstenaars, maar ook een deel dat een tussenpositie innam, vaak kunstenaars van het tweede garnituur.

Het spiegelend venster is opgedeeld in vier perioden. Als aanloop komt 1870-1880 aan bod. Het jaar 1870 laat, onder invloed van de opheffing van het dagbladzegel, een groot aantal nieuwe tijdschriften zien. De tien jaren die volgen dienen om te kunnen vaststellen welke invloed de paganistische Tachtigers – met Lodewijk van Deyssel, de zoon van de roomse voorman J.A. Alberdingk Thijm, in hun gelederen – op het rooms-katholieke erfgoed hadden. Vervolgens behandelt Sanders drie perioden van elk twintig jaar, met als ijkpunten 1880, 1900 en 1920.

Van Duinkerken

Nam de katholieke literatuur tot 1920 een tamelijk geïsoleerde positie in en had de literatuur in die periode vooral een emancipatorische waarde, na de Eerste Wereldoorlog kregen de katholieke literatoren in de literatuurdebatten een gelijkwaardige plaats. De verzuiling brokkelt in deze periode al af. Dat de luidruchtig aan de weg timmerende roomse intellectueel Anton van Duinkerken A. Roland Holst en Martinus Nijhoff eind 1933 in de redactie van het deftig-liberale tijdschrift De Gids opvolgde is een teken aan de wand. De discussies gingen in deze periode ook niet langer alleen over literaire waarde, want die zat wel goed, maar vooral over levensbeschouwelijke aspecten. Iemand als Ter Braak had immers groot respect voor een steile katholiek als Henri Bruning, waardeerde de poëzie van Engelman, en bestreed Van Duinkerken vanwege het in zijn ogen paapse gebrek aan ruggengraat.

Deze periodiserende hoofdstukken worden afgewisseld door drie tussenstukken. Die zijn gewijd aan respectievelijk de strijd die de oude en de jonge Thijm voerden in het laatste kwart van de negentiende eeuw met de roomse dinosaurussen H.J.A.M. Schaepman en W.J.F. Nuyens, aan de opkomst van de katholieke jongeren rond 1900 en de oprichting van de tijdschriften Van Onzen Tijd en De Beiaard en aan de doorbraak van een nieuwe generatie rond 1920. In die laatste periode verscheen het tijdschrift Roeping, dat gegispt wordt om de traditioneel-roomse poëzie, maar dat na de komst van Gerard Knuvelder en onder invloed van de econoom J.A. Veraart, de voorman van de Katholiek-Democratische Partij, een betrekkelijk opvallend `sociale' koers gaat varen. Uiteindelijk zou het in het rechts-autoritaire kamp verzeild raken. In 1925 werd het tijdschrift De Gemeenschap opgericht, met als ondertitel `Maandschrift voor Katholieke Reconstructie'. In de verantwoording bij de eerste aflevering stond te lezen dat het tijdschrift zijn medewerkers zoekt onder hen `die in hun innerlijke gesteldheid wezenlijk dienstbaar zijn aan het welzijn der samenleving'. Het tijdschrift keerde zich tegen de poëzie die in Roeping te lezen was, omdat die wel braaf-rooms was, maar nauwelijks literaire waarde bezat. De Gemeenschap slaagde er korte tijd in moderniteit en rooms-katholicisme te verzoenen. Maar de spanning tussen vorm en inhoud, geloof en literatuur, brak uiteindelijk ook De Gemeenschap zelf op: eind 1933 splitsten de radicale katholieken zich van hun ruimdenkender bentgenoten af in De Nieuwe Gemeenschap, dat net als Roeping in rechts vaarwater kwam.

De Tweede Wereldoorlog zorgde ervoor dat de in de door Sanders beschreven periode gevoerde debatten zichzelf overleefden. Niemand heeft ooit met de acribie en de aandacht van Sanders die debatten bestudeerd. Zijn studie werpt niet een heel ander licht op de door hem behandelde periode, maar zorgt wel voor een weldadige verdieping van de literatuurgeschiedenis.

Mathijs Sanders: Het spiegelend venster. Katholieken in de Nederlandse literatuur, 1870-1940. Vantilt, 400 blz. €24,90