De staat van redeloze wreedheid

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Nostromo' van Joseph Conrad (Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. IJzer, 597 blz. euro 45,95)

Depressies, slopende pijnen, een jarenlange doffe lethargie: Joseph Conrad overleefde het schrijven van zijn beste romans ternauwernood. Voordat hij een pen op papier kon zetten, moest hij zware lichamelijke en geestelijke beproevingen ondergaan. Toen het hem later in zijn leven ineens overkwam dat een stuk hem gemakkelijker afging, daalde de kwaliteit van zijn boeken navenant.

Met Nostromo, dat in 1904 verscheen, na eerst als feuilleton te zijn gepubliceerd, kreeg hij het nog zwaarder te verduren dan bij eerder werk; niet toevallig geldt het dan ook als zijn beste roman, het hoogtepunt van zijn unieke oeuvre. Eigenlijk laten Conrads beste werken – Lord Jim, Heart of Darkness, The Nigger of the `Narcissus', The Secret Agent en Under Western Eyes – zich nauwelijks met elkaar vergelijken. Stuk voor stuk onderzoeken ze weer andere morele aspecten van wat je zijn grote thema zou kunnen noemen: de mens die in de moderne wereld enkel en alleen aan zichzelf is overgeleverd en zich dus wanhopig vastklampt aan ideologie en schijnlogica.

Maar het is wel te begrijpen waarom critici Conrads omvangrijkste roman zo fervent als zijn meesterwerk afficheren: behalve verbluffend is Nostromo ook een ongrijpbaar en weerbarstig boek, waar de lezer naartoe gelokt moet worden. Hoewel het in Conrads eigenzinnige Engels is geschreven (Conrad was een Pool die pas laat en via het Frans tot het Engels kwam), is het nauwelijks een Engelse roman te noemen. De plaats van handeling is de duistere, fictieve Zuid-Amerikaanse kuststaat Costaguana en onder de personages die stuk voor stuk een hoofdrol in het drama opeisen, bevinden zich maar een paar Engelsen.

Dan is er het decor: très Zorro. Sulaco is een slaperige havenstad, die de jaren van politieke onrust en schrikbewind gelaten over zich heen heeft laten komen. Corruptie is de regel. De vader van Charles Gould, een Engelsman die in Costaguano is geboren, legt het af tegen de willekeur en psychologische terreur van het plaatselijke bewind: zijn zoon laat hij een zilvermijn na, die door de blinde hebzucht van de machthebbers niet meer rendabel is en hopeloos in verval is geraakt. Die mijn, waarvan Charles de exploitatie op zich neemt als ereschuld aan zijn standrechtelijk geëxecuteerde vader, is het brandpunt van Nostromo; gaandeweg de roman groeit hij uit tot een duister en dreigend symbool van nietsontziende ambitie en verbetenheid, waaraan de meeste personages ten onder gaan. Gesteund door Amerikaans grootkapitaal wordt Gould tot de ongekroonde `koning van Sulaco', die met zijn mijn zo ongeveer een nieuw, vooruitstrevend bewind overeind houdt.

Wanneer dat bewind wordt weggevaagd door de zoveelste corrupte generaal, blijkt hoezeer Gould zijn ziel aan zijn mijn heeft verkocht. Zijn vrouw Emily – voor Conrad een toonbeeld van menselijke goedheid – moet aanzien hoe hun liefde wordt gecorrumpeerd door zijn overheersende hartstocht voor het idee van de mijn. Ook anderen vallen aan de zilverschat ten prooi; vooral Nostromo, de Italiaanse, bijna onaantastbare held, die alle anderen terzijde staat. Hij is een man die leeft bij de gratie van de indruk die op hij op anderen maakt; pas wanneer hij merkt hoe gemakkelijk hij door zijn sociale meerderen gemist kan worden, vallen hem de schellen van de ogen. Deze nieuw ontdekte leegte in hemzelf vult hij met gestolen zilver.

Conrad is een sublieme premodernist: hij vertelt zijn realistische verhaal niet meer lineair. Soms schakelt hij vooruit, zodat de lezer eerst de afloop van een bepaalde gebeurtenis te lezen krijgt, daarna schakelt hij terug, zodat de voorgeschiedenis langzaam helder wordt. Zijn personages krijg je eerst als glimp, en van de buitenkant te zien. Pas gaandeweg dringt hij tot hun kern door. Het glanzende panorama waarmee de roman opent, de verstilde baai waaraan Sulaco ligt, verandert langzaam maar zeker in een zwart gat, dat zijn bewoners een voor een opslokt.

Achter de avonturenroman vol kleurrijke typetjes gaat een genadeloos existentieel drama schuil. Want Nostromo is de roman waarin Conrad zijn pessimisme over de menselijke soort ruim baan geeft; de politieke idealen en ideeën waarmee steeds weer geprobeerd wordt Costaguano een menswaardig bestuur te geven, bezwijken telkens weer onder inherente roofzucht en wreedheid. Een van de schokkendste passages in de roman is die waarin een onderofficier die in naam van de zoveelste revolutie beslag op een lading zilver probeert te leggen, een reeds gemartelde buitenlander in een opwelling doodschiet; hij pleegt een moord zonder te weten waarom. De buitenlandse bemoeienis met het bestuur van deze Zuid-Amerikaanse bananenrepubliek is ook alleen op exploitatie gericht; een democratisch bestuur is alleen gewenst in zoverre het de opbrengst van de mijn ten goede komt. Tussen de verheven woorden en de laagste daden gaapt de kloof van het zelfbedrog. Algemeen belang blijkt een andere term voor eigenbelang.

Nostromo is een politieke roman, maar dan over de aard van alle politiek. Costagunao is een metafoor voor de staat van redeloze wreedheid waarin de mens ondanks al zijn verlichte aspiraties steeds opnieuw terugvalt of misschien dankzij die aspiraties. In een wereld zonder God moet een mens ergens in geloven, maar zodra hij iets vindt om in te geloven zoals Gould zijn mijn blijkt dat geloof een bron van moreel verderf. Geloof en nihilisme blijken heel gemakkelijk hand in hand te kunnen gaan.

Dat is de wereld volgens Conrad in Nostromo. Het is bijna honderd jaar na verschijning een hoogst actuele roman; het beste bewijs dat het een boek van alle tijden is. Dat het nu eindelijk, dankzij een kleine uitgeverij, in een aandachtige Nederlandse vertaling is verschenen, is niet minder dan een daad van rechtvaardigheid.