De hemel is van stralend blauw beton

Mexicanen willen naar Amerika, en Amerikanen willen naar Mexico. Om andere redenen, maar allemaal vermoeden ze dat aan de overkant van de grens de hemel ligt. Drie boeken over illegale migranten, toeristen en de natuur laten zien hoe illusies en werkelijkheid elkaar opjagen.

Een mop. De bewoners van de hemel en de hel besluiten na telefonisch overleg een brug te bouwen die de twee dodenverblijven moet verbinden. Van beide zijden zal op een afgesproken plaats begonnen worden met bouwen, halverwege zal men elkaar ontmoeten. In de hel gaat men aan het werk en na een jaar is de helft van de brug klaar. Maar hoezeer er ook wordt getuurd richting overzijde, geen spoor van de hemelbewoners. Dus wordt er opgebeld: `Zeg, wij zijn nu halverwege met de brug, maar waar is die van jullie?' Het antwoord: `Nou, dat kan nog wel even duren... We kunnen geen aannemer vinden'

Moraal: in de hemel bestaan geen aannemers. Maar zonder aannemer kom je er niet. En hoewel deze mop in eerste instantie bedoeld is om de draak te steken met de morele verworvenheden van het bouwersgilde (er bestaan ook variaties die eindigen met `We kunnen hier geen advocaat vinden' en `Maar er zijn hier geen taxi's') strekt de moraal verder. In elk geval tot The Short Sweet Dream of Eduardo Gutiérrez, het pamflettistische, indrukwekkende boek van journalist Jimmy Breslin over de lotgevallen van een jonge Mexicaanse immigrant die van San Matías Cuatchatola (een paar uur reizen ten zuiden van Mexico-stad) naar Brooklyn trekt. Maar uiteindelijk ook tot On Mexican time, waarin schrijver Tony Cohan verslag doet van zijn emigratie zuidwaarts, van Los Angeles naar San Miguel de Allende, een paar uur reizen ten noorden van Mexico-stad.

Mexico krijgt veel aandacht in de VS, verenigd als de landen zijn door twee presidenten die een ranch hebben en graag cowboyhoeden dragen (Bush en Fox), een aanzwellende migrantenstroom en een vrijhandelsverdrag (NAFTA). Mexico fixeert zich op de dollars in het noordelijke paradijs, de Verenigde Staten op de vermeende ongereptheid ten zuiden van de Rio Grande.

Die ongereptheid wordt beschreven in Oaxaca Journal, het voor de publicatie enigszins bewerkte dagboek dat neuroloog Oliver Sacks bijhield tijdens een (amateur-)botanische excursie naar de zuidelijke provincie Oaxaca. Sacks is iemand die zich graag verwondert. Hij verwondert zich over de talloze bijzondere planten in de streek waar tegen de zevenhonderd soorten varens groeien. Naar bloemen kijkt hij minder om: `I find flowers, with their explicitness, their floweriness, a little too much'. Via de precolombiaanse geschiedenis van het land blijkt hij uiteindelijk gegrepen te worden door de indiaanse cultuur die hem omringt. Pretentieus wordt dat bij Sacks niet, zijn aantekeningen blijven op het niveau van wat hij zelf een `omgekeerde proustiaanse ervaring' noemt. Niet het eten van een madeleine laat zijn herinnering spreken, maar zijn kennis van de geschiedenis van het product geeft zijn kopje chocolade extra smaak.

Jimmy Breslin (1929) is niet zo bescheiden en is bovendien geen amateur (zoals Sacks dat in de botanie is). Hij was als columnist van de New York Herald in de jaren zestig een van de bekendste exponenten – met Tom Wolfe – van het literair geïnspireerde `New Journalism'. Daarnaast schreef hij een biografie (van de vooroorlogse journalist Damon Runyan), enkele romans (zoals The Gang that Couldn't Shoot Straight) en een autobiografie (I Want to Thank My Brain For Remembering Me). Met The Short Sweet Dream of Eduardo Gutiérrez schreef de inmiddels 73-jarige Breslin weer een `ouderwetse' journalistieke reconstructie, zij het met een hoeveelheid stijlmiddelen die eerder aan een roman doen denken.

En met een morele inzet. In het leven van Eduardo Guitiérrez is kraakhelder waar de hemel is en welke aannemer je moet hebben om er te komen. San Matías Cuatchatola is een van de talloze Mexicaanse steden die gestaag leeglopen. Om begrijpelijke redenen. Thuis sjouwt Eduardo met bakstenen in de fabriek van zijn vader en verdient hij vijf dollar per dag. Uit Amerika komen berichten van dorpsgenoten die zeven dollar per uur verdienen in de bouw. Eduardo's vriendin, Silvia Tecpoyotti, hoort over de bedragen die je in Texas kunt krijgen voor het dweilen van vloeren (vier dollar per uur) of het verschonen van bedden in een motel (vijf dollar). Dus leggen ze geld opzij om de grens over te kunnen. Of lenen ze, vooruitlopend op de grote geldstroom die Amerika zal brengen. De aannemers die hun brug naar de hemel moeten slaan (de `coyotes' die migranten de grens oversmokkelen) vragen vijfhonderd dollar voor een voettocht van vijftien dagen door de woestijn naar Houston, of het dubbele voor een riantere trip, verscholen in auto's en busjes.

Silvia zal uiteindelijk beide bedragen betalen: de eerste keer lukt het haar ongezien door de Rio Grande te waden, laat ze zich niet afschrikken door de ratelslangen in de nachtelijke woestijn en springt ze juist op tijd weg voor een aanstormende trein. Het gaat pas mis als ze denkt dat ze er is en in een dorp probeert eten te kopen. Ze worden opgepakt door de Border Patrol en teruggestuurd. Niet dat het helpt: de mare onder de migranten is immers dat wie het een tweede keer probeert, het wél haalt. Ook Silvia probeert het nog eens, in de duurdere variant en nu met succes.

De overtocht van Eduardo Gutiérrez is aanmerkelijk minder goed gedocumenteerd en de oorzaak daarvan is precies het motief voor Breslin om zijn boek te schrijven. Want Eduardo Gutiérrez (van 15 juni 1978) kan zijn overtocht niet navertellen. Op 23 november 1999 was hij een betonvloer aan het storten op de derde verdieping van een gebouw in Brooklyn. Tot de ondeugdelijke constructie het begaf en hij met vloer en al drie verdiepingen naar beneden viel. Een tiental arbeiders (allen Mexicanen) raakte gewond. Eduardo kwam voorover met zijn gezicht in het natte beton terecht en stikte. Het schandaal dat volgde was groter dan je bij de dood van een Mexicaanse illegaal zou verwachten, maar dat had weinig te maken met de slachtoffers. De projectontwikkelaar die de opdracht tot de bouw had gegeven bleek niet alleen een lange geschiedenis te hebben van instortende bouwplaatsen en andere ongelukken, maar bovendien een belangrijke donateur te zijn van de New-Yorkse burgemeester Giuliani. De aannemer van dienst, die regelmatig opdracht gaf tot het bouwen van constructies die niet aan de veiligheidsnormen voldeden, maar wel binnen het karige budget, was de zoon van de opdrachtgever.

De politieke implicaties van de zaak werden breed uitgemeten in de pers, maar het slachtoffer bleef anoniem, aldus The Short Sweet Dream of Eduardo Gutiérrez. Breslin, een geboren stadsverslaggever, reconstrueerde het leven van Eduardo: hij sprak met zijn familie en vrienden in Mexico, met zijn collega's in New York en verzamelde een grote hoeveelheid materiaal over de zaak. Het resultaat is een fraaie reconstructie, met een mooi portret van vader Gutiérrez, die zijn zoon graag bij zich had gehouden in zijn bakstenenfabriek maar hem uiteindelijk terugkrijgt in een kist.

Breslin heeft goed doorgevraagd, blijkt uit het gedetailleerde verslag van de eerste flirts tussen Silvia en de ongeneeslijk verlegen Eduardo. Alles begint wanneer hij haar van achteren een klopje op haar hoofd geeft en dat vervolgens ontkent in de dialoog: `Dat was jij'; `Nee, dat was ik niet'; `Ik wéét dat jij het was'; `Hoe dan?'; `Ik weet wie het was'. Het gaat Breslin om de menselijke maat: hij wil weten hoe Eduardo eruit zag toen hij op de ochtend van zijn dood opstond (hij was al laatste bij de douche). Vanaf de eerste pagina is het duidelijk: met deze mensen moeten wij ons identificeren. Dít zijn de helden van het verhaal.

Breslin speelt die elementen knap uit, waarbij het menselijke perspectief uiteindelijk een hoger, politiek doel dient. Hij wil zijn landgenoten de oren wassen. Vooral over hun immigratiepolitiek, die neerkomt op: buitensluiten en vervolgens degenen die toch binnenkomen uitbuiten. Hij neemt de `war on drugs' de maat, die inmiddels een ware kruistocht is geworden en maakt duidelijk dat er twee Amerika's bestaan: het commerciële Amerika waar het geld de enige God is, en het moralistische, puriteinse Amerika dat niets van vreemdelingen moet hebben. Immigranten lopen levensgevaar omdat ze het verschil tussen die twee niet kennen. Als Amerika dus werkelijk de hemel is, dan is het een hemel waar het wemelt van de aannemers.

The Short Sweet Dream of Eduardo Gutiérrez is bedoeld als een klap in het gezicht van de lezer. Breslin buit daarom de retorische kracht van het woord `droom' volop uit. `Jongeren dromen over alles, behalve over de dood', schrijft hij over zijn jonge held en ook de titel van het boek onderstreept wat er gestorven is met Eduardo Gutiérrez: niet alleen een Mexicaanse illegale arbeider, maar vooral de droom van een beter leven. En veel hogers dan die droom is er niet in de Amerikaanse morele hiërarchie.

De route tussen de twee landen wordt ook van de andere kant bereden. Want zoals in de mop niet alleen de bewoners van de hel een brug naar de hemel willen, zijn er andersom ook Amerikanen die hevig verlangen naar het leven in Mexico. Over dat verlangen, en de vervulling ervan, gaat het derde boek, On Mexican Time van Tony Cohan. Nu is het niet verstandig om dat boek dadelijk na dat van Breslin te lezen. Cohan beschrijft de besognes van het welgestelde paartje (hij schrijver, zij kunstenares) dat merkt dat Mexico onvermoede verlangens in hen wakker roepr naar een puur en kalm leven. Ze besluiten te verhuizen en babbelen vrolijk over patio's vol bloemen, straten met kinderhoofdjes, de vriendelijke mensen, het eenvoudige plezier van een tocht naar de markt en kleine momenten van persoonlijke groei (`Ik ben gestopt me te scheren [...] Met het voorbijgaan van de dagen zie ik de bevroren, starende blik van mijn gezicht verdwijnen. Iets vaags menselijks keert terug'). Het zal uit een goed hart komen, maar tegen de achtergrond van Eduardo Gutiérrez' lotgevallen is het van een weerzinwekkende onbenulligheid.

Die weerzin zakt in loop van het boek gelukkig weg, en helemaal eerlijk is het ook niet. Want Tony en zijn vrouw Masako mogen dan decadentie als persoonlijk probleem hebben en niet armoede, hun affectie voor Mexico is oprecht. En in een autobiografisch werk kun je mensen de onbedoelde ironie van sommige passages moeilijk aanrekenen. Bijvoorbeeld dat ze de verwoestende aardbeving van 1985 nog wel meemaken in Mexico-stad, maar nu net op het vliegveld, klaar voor een geplande reis naar Europa. Vrijwel direct na de beving stijgen ze op. `Wel veel smog', constateren ze als ze over de puinhopen vliegen.

Maar volledig met het hoofd in de wolken lopen Cohan en zijn vrouw niet. Hun gasten, doorgaans van het soort Manhattan-museumconservator-met- een-open-en-warme-persoonlijkheid, krijgen uitgelegd dat emigrerende Mexicanen niet zomaar de grens met de VS kunnen oversteken, maar een coyote moeten huren. En aan het eind van On Mexican time – dat zijn titel ontleent aan het moment waarop de hoofdpersoon besluit zijn horloge af te doen – besteedt Cohan nogal wat aandacht aan het jaar 1994. Toen begon de opstand van de zapatistas in Chiapas en werd een presidentskandidaat vermoord, vermoedelijk beraamd door de broer van de toenmalige president Salinas. Het is het jaar dat de Mexicaanse realiteit bij iedereen in het land de idylle wegblies.

Cohan heeft dan allang zijn werkelijk Mexicaanse ervaring gehad, en net als bij Eduardo Gutiérrez in het noorden blijkt het cruciale moment dat te zijn, waarop de aannemer ten tonele verschijnt. Na lang twijfelen kopen de twee Amerikanen een oud koloniaal huis in San Miguel. En ook Mexico toont zijn ware aard in de vastgoedsector. Niet alleen worden er legio trucs uitgehaald om de belasting te ontduiken, ook blijkt de vorige eigenaar het halve huis op het laatste moment leeggehaald te hebben, waardoor ze het toch al vervallen onderkomen helemaal gestript aantreffen. Dan ook blijkt het bijna overal te lekken, blijkt de getrouwde klusjesman op zolder een liefdesnestje gemaakt te hebben met de tien jaar jongere huishoudster, waarna tot overmaat van ramp de watertank op het verkeerde deel van het dak wordt geplaatst. Verkeerd, want watertanks mogen niet zichtbaar op daken staan. Dus verschijnen de Mexicaanse overheidsdienaren die prompt verdere verbouwing verbieden. Uiteindelijk wordt het werk weer hervat, maar in het trage tempo dat een paradijselijke omgeving past.

De passages over de bouwellende zijn het aardigst in On Mexican Time, al is het maar omdat de noorderling daar zijn horloge weer om heeft en dus constateert dat het `zometeen' van de slotenmaker uren wachten betekent. Dat betekent niet dat het boek een realistisch portret van Mexico geeft: daarvoor zijn de luchten in het boek te blauw, de vlakten te kaal en is de natuur te ongerept. Dit Mexico is het land dat iedereen die nog nooit in het land is geweest, zich ongeveer voorstelt. Het dient als een soort niet-Amerika: niet hectisch, niet oppervlakkig, niet vervreemd, niet zinloos.

Maar, eerlijk is eerlijk, dat geldt evenzeer voor The Short Sweet Dream of Eduardo Gutiérrez. Ook Breslin is een schrijver die liever iets beweert dan dat hij zich verbaast, zoals Oliver Sacks en zijn zevenhonderd varens. Ook hij ziet het Mexico dat hij vanuit zijn sociale compassie wíl zien. De materiële ongemakken van de Mexicanen zijn dan ook nadrukkelijk aanwezig, maar het harde realisme waarmee Breslin zijn eigen land te lijf gaat is ver te zoeken in het beeld dat hij van de Mexicanen geeft: allemaal eenvoudige, hardwerkende mensen die een beter lot verdienen en meestal niet krijgen. Ze tonen soms moed – bijvoorbeeld op hun barre tochten om de Verenigde Staten binnen te komen – maar ook als ze dat niet doen, is het hun vergeven.

Dat is de paradox van het boek. Breslin kiest voor het individu dat in de kranten bedolven raakt en uit beeld verdwijnt. Maar uiteindelijk dient dat individuele verhaal in de eerste plaats een moreel-politieke zaak. Breslins Mexicanen zijn vooral slachtoffers: van de Amerikaanse machthebbers en hun onderaannemers. Uiteindelijk gaat het Breslin niet eens in de eerste plaats om die Mexicanen, maar om zijn eigen Amerika, dat zijn idealen dreigt te verloochenen.

Dat Amerika is een land waar bouwcontroles niet goed uitgevoerd worden (kennelijk in tegenstelling tot Mexico) en vastgoedmagnaten nagenoeg ongestraft mensen in gevaar kunnen brengen door altijd voor de goedkoopste oplossing te kiezen. Waar dergelijke mannen gedekt worden door contacten in de hoogste regionen. Breslin documenteert uitvoerig hoe talloze signalen (zoals eerdere incidenten op bouwlocaties van dezelfde aannemer) zijn genegeerd uit zuiver winstbejag. Enige hoop is er wel: aan het einde van het boek bekent de nalatige aannemer schuld aan een kleiner bouwvergrijp. Maar duidelijk is dat dat 's mans loopbaan niet zal breken.

Het Amerika dat Breslin aanklaagt jaagt mensen de dood in, aan de grens en op de steigers. Maar bovendien verraadt het – en dat is de grootste zonde – de eigen Amerikaanse droom. Een land waar de leiders samenspannen met de aannemers, dát kan de hemel niet zijn.

Jimmy Breslin: The Short Sweet Dream of Eduardo Gutiérrez. Crown, 213 blz. €28,95

Tony Cohan: On Mexican time.

A New Life in San Miguel. [2001] Bloomsbury, 290 blz. €20,50

Oliver Sacks: Oaxaca Journal. National Geographic Directions. 165 blz, €28,80