De afstandsbediening

Een pistool, een trombone of een bankbiljet zijn rekwisieten die de toon van een leven kunnen bepalen. K. Schippers liet zich erdoor inspireren tot een zomerserie voor het Cultureel Supplement. Vandaag deel 5.

Er werd geteld, de jongen met de lange benen schoot weg. Hij kon zo naar een fiets hollen, dat was de traptree naar een raampje, het stond altijd open, je klom erdoor en dan stond je in het berghok van een Chinees restaurant. Had hij al een keer gedaan, hij ging eraan voorbij, rende naar een steeg.

Wat kon je je hier goed goed verstoppen. Z'n buurt was zo lekker rommelig, dubbel geparkeerde auto's, doodlopende straat die uitkwam op een stinkende sloot, altijd vuilniszakken aan de rand van het trottoir. Keldergaten, voet tegen het raampje, en je kon je naar beneden laten zakken. Heel wat anders dan je binnen verstoppen, dat was iets voor kleine kinderen.

0, al die mogelijkheden, een enorme doos, vlug erin, ouwe deken over je hoofd, deksel scheef erop, niet meer te vinden. Te duidelijk, verder, verder, achter hem stierf het tellen kwijnend weg.

Openstaande deur, de trap op, niet doen, vroeg iemand misschien wat moet je daar. Of bij de groenteman, tussen de klanten in een winkel, nee, die was vast zo weer leeg en dan stond je er open en bloot.

Op steeds andere plekken moest je zien dat je zo goed als onzichtbaar werd, iets nieuws, dat zocht hij, de zoeker had al die plekken van de laatste weken nog in z'n hoofd.

De hoek om, zaten verhuizers in het zonnetje op de stoep wat te eten, halfeen, niets te doen. De jongen, die moest zoeken, was vast al uitgeteld, kon zo op elke hoek verschijnen. Dat was het gevaarlijkst, je verstoppen in de tijd dat er al werd gezocht.

In een verhuiskist, dat was goed, zouden de mannen hem de wagen intillen, tegen de regels, ze mochten niet te ver uit de buurt, twee verstopstraten en de tussenliggende stegen, dat was alles.

Stonden er ineens wel een stuk of twintig dozen, vlak voor het hek, bij die stinkende sloot. Sommige half dicht, andere nog open met van die opstaande flappen, hij zat er al tussen, maakte zich zo klein als twee dozen op elkaar. Allemaal gluurspleetjes en achter hem het verdwijnland, kon hij over wegrennen als hij in de verte de vijand zag verschijnen.

Wat een prachtplek. De dozen waren z'n torens, hij was de koning, met voor hem de geheime valluiken, achter hem de slotgracht naar z'n landerijen.

Hij ging er bij zitten, z'n voeten konden zo opzij springen. Z'n kleine zus snapte er nog niks van, die zei, kijk, ik ga me hier in de kast verstoppen, je moet tellen en me dan pas zoeken.

De stemmen van de verhuizers, ze gingen weer aan het werk, Professor Zoek, zo werd hij genoemd, 't geluk van er zo goed als niet meer zijn, overgeslagen worden, alleen zelf nog weten wat er met je gebeurt, met je aan de hand is.

Z'n ene hand moest wat doen, ging in de doos vlak naast hem, speelde met wat erin zat, wist niet eens wat. Het was hard en ribbelig, hij keek niet in de doos, gluurde over de rand de straat in.

Daar had je hem, z'n vriend, z'n vijand, hij keek uit een raam, heel hoog, verderop in de straat. Hoe was hij daar binnengekomen, nog nooit vertoond. Flap van een doos boven z'n hoofd, een dak. De jongen zag 'm vast niet, z'n hart bonsde, naar het achterland vluchten, dat zou de zoeker kunnen zien.

Nog even en dan kwam hij het huis weer uit, laat hem niet naar me toelopen, daar was hij, liep achterstevoren, vlak langs de verhuizers, bleef kijken en zoeken, verdween om de hoek.

En die hele tijd was z'n hand in de doos. Steun had hij gezocht, z'n arm, die had de zoekende jongen niet eens gezien.

Nu zag hij wat hij had vastgehouden. Een vuurslag leek het wel, afstandsbediening van de tv, leek het ook op, nee, daar was het ribbelige ijzer te roestig voor, zo'n tv-ding was veel gladder.

Hij keek er niet meer naar, hield het nog wel in z'n hand. Langs de verhuizers glippen? 't Kon een valstrik zijn. Als hij nu weg liep, kwam de andere jongen vast meteen weer de hoek om.

De vuurslag van de ene hand in de andere, of hij niet meer wist hoe hij hem vast moest houden, wegrennen of niet. Haalden de verhuizers nou een kist uit de laadbak, zeker verkeerd neergezet, ze liepen ermee terug naar het huis.

En daar had je de jongen ook weer. Hij vertrouwde het zeker niet, liep zijn kant op, blijven zitten, hij ging het huis weer in. Niet wachten tot hij uit het raam keek, vlug over het hek, naar het achterland.

Na een meter of tien meter liep hij terug, gluurde om de hoek, moest weten wat de jongen van plan was.

De verhuizers haalden nog meer kisten uit de wagen, zeker iets zwaars vergeten, een piano die achterin moest of een ander groot ding. De jongen kwam naar buiten, liep weer achterstevoren, nu veel vlugger, of hij haast had gekregen, al weer aan een andere schuilplaats dacht.

De verhuizers waren in de zon gaan zitten en de jongen verdween om de hoek. 't Verliep zoals hij alleen maar kon hopen en toch was er iets niet in orde, hij wist niet wat. Of er net iets te veel werd gelopen en gesjouwd, in richtingen die je niet verwachtte.

De vuurslag nog in z'n hand, zomaar iets meegenomen, had hij niets aan, kon 'm net zo goed weer in de doos doen. Hij sloot z'n vingers er iets vaster omheen en nu stonden de verhuizers op, in hoog tempo zetten ze de klsten en meubels, die ze net uit de auto hadden gehaald, weer in de auto en daar had je ook de jongen weer, voor de derde keer het huis in, had hij nou nog niet scherp genoeg uit het raam gekeken?

't Zou toch niet, nee, het was niet mogelijk, hij keek naar de afstandsbediening, of hoe het ding ook mocht heten. Heel voorzichtig drukte hij op een pal.

De verhuizers begonnen de auto uit te laden, de jongen kwam het huis weer uit en liep achterstevoren de straat uit. Nu net zo zorgvuldig de andere pal, auto inladen, nog even, daar komt hij, de jongen slaat de hoek om.

Er zat nog een derde pal op het instrument en die kon maar voor één ding dienen. Je kon er alles mee stilzetten, trillend, dat wel, als hete lucht. Maar voor- of achteruit, dat kwamen de jongen en de verhuizers niet meer. Een opgeheven been, een ligbank in de lucht, gedragen door vier handen, niets kreeg nog een vervolg.

De jongen liep langs de verhuizers en langs z'n vriend die 'm was. Heel de buurt was tot stilstand gekomen, professor Zoek kon lopen waar hij wou, zonder dat iemand hem zag.

Volgende week: de tegel