Dan sus, dan soo

Jan Pieterszoon Sweelinck is de belangrijkste componist uit de Nederlandse muziekhistorie. Maar die faam kreeg Sweelinck pas heel laat en zeer geleidelijk.

Jan Pieterszoon Sweelinck ligt al bijna vier eeuwen gewoon in zijn graf in de kooromgang van de Oude Kerk in Amsterdam. Dat het dubbele familiegraf onder de zerken nummers 99 en 100 nog onaangeroerd bestaat, onderscheidt Sweelinck van vrijwel alle andere kunstenaars uit de Gouden Eeuw. Van beroemdheden als Rembrandt, Vondel, Vermeer en Hals is de laatste rustplaats niet meer aan te wijzen. Hun gebeente is ooit weer opgegraven en elders gestort of we weten niet eens waar ze zijn begraven.

Het graf van Sweelinck bleek bijna heilig, in ieder geval onaantastbaar. Na zijn dood in 1621 bleef Sweelinck zo voor eeuwig verbonden met de Oude Kerk. Vanaf 1578 – hij was toen zestien – speelde hij daar tot zijn dood op de orgels. Sweelinck verwierf met zijn virtuoze variatietechniek (`dan sus, dan soo') internationale faam als `de Orpheus van Amsterdam' en had tal van buitenlandse leerlingen. Hij heet de belangrijkste componist uit de Nederlandse muziekhistorie, een voorloper van Bach.

Pas nu krijgt de aandacht voor Sweelinck een wat systematischer karakter voor een groter publiek. Het complete klavieroeuvre van Sweelinck is voor het eerst uitgebracht op negen cd's, gespeeld door vijftien organisten en klavecinisten, met een degelijke inleiding van klavecinist Pieter Dirksen, die op Sweelinck promoveerde. Leendert Havelaar schreef een nieuwe beknopte biografie van Sweelinck, waaruit vooral blijkt hoe weinig we van hem weten. En er verscheen een Engelstalig boek, ook geredigeerd door Dirksen, over een Sweelincksyposium in 1999 met bijdragen van onder meer Gustav Leonhardt en Ton Koopman.

Het aardigst bij Havelaar, die schrijft als een wat amateuristische liefhebber, is het verhaal over de warrige afkomst van Sweelinck. Hij kreeg bij zijn geboorte in 1562 de achternaam van zijn moeder, Elsken Zweling. Waarschijnlijk gebeurde dat uit schaamte, omdat zijn vader Pieter Swybertszn de zoon was van een geestelijke. Deze Swibbert of Swilbert van Keyzerswerth, ook een organist, had zich dus niet gehouden aan het celibaat. De namen van Sweelincks grootvader en vader staan als eersten vermeld op een bord met de organisten van de Deventer Lebuïnuskerk. Ook Sweelincks oom Gerrit Swybertszn (of Swippert of Zwibbert) was organist.

Als we die genealogie met een welgezind oog bezien, was er in de familie Sweelinck, net als bij de familie Bach, sprake van een muzikaliteit die zich generaties lang voortplantte. Sweelincks vader werd organist in de Amsterdamse Oude Kerk. Jan Pieterszn. was daar zijn opvolger en hij werd zelf weer opgevolgd door zijn zoon Dirck. Zo speelden de Sweelincks bijna negentig jaar lang in de Oude Kerk, van 1564 tot 1652. Sweelincks broer Gerrit Pietersz. was schilder en vervaardigde een portret van hem.

Weinig eerbetoon

Sweelincks naam is tegenwoordig verbonden aan het Amsterdamse conservatorium, maar eeuwenlang kreeg hij in Amsterdam heel weinig eerbetoon. Pas sinds 1931 noemt een bronzen plaquette op een pilaar naast zijn graf Sweelinck de `Nederlandse grootmeester van het orgel'. Enkele decennia eerder werd Sweelinck door het Amsterdamse Concertgebouw geëerd met een gouden naamsvermelding in de Grote Zaal en met een borstbeeld aan de voorgevel, geflankeerd door de koppen van Bach en Beethoven.

Al werd zijn muziek er destijds niet uitgevoerd, het 19de-eeuwse muzikale Amsterdam verschafte zich in het Concertgebouw aanzien met een grootheid uit een ver maar legendarisch verleden, de vroege Gouden Eeuw. Voordien was Sweelinck vrijwel vergeten, de eerste herontdekking dateert uit het midden van de 19de eeuw. Intussen waren er trouwens ook geen Amsterdamse of Nederlandse componisten van internationaal belang geweest en dat zou nog lang voortduren.

Zo zweefde Sweelinck lange tijd als een schim hoog boven het muziekleven, bijna onbekend, onbereikbaar en ontraceerbaar. De huizen waar de familie Sweelinck woonde in de Minderbroedersteeg, de Heintje Hoekssteeg, de Lange Niezel en de Koestraat, zijn verdwenen. De Niehoff-orgels (1540-1545), waarop Sweelinck in de Oude Kerk heeft gespeeld, zijn vervangen, het kleine in 1658, het grote in 1726. Van Sweelincks muziek bleef geen enkel manuscript bewaard. Zijn Psalmzettingen gaf hij uit, de rest kennen we uit afschriften en veel van zijn muziek moet verloren zijn gegaan.

Sweelincks naam wordt zelfs niet vermeld op zijn grafzerk. Hooft schreef wel een grafschrift voor de componist van 153 psalmzettingen:

Hier leydt die stelde wijz den Coninclyken woorde

en Sion galmen deed dat men 't in Holland hoorde

Ook Vondel dichtte voor zijn graf:

Dit Swelings sterflijk deel, ten troost ons nagebleven,

't onsterfelijk hout de maet bij Godt in 't eeuwigh leven.

Daer streckt hy, meer dan hier kon vatten ons gehoor,

een Goddelijke galm in aller Engelen oor.

Die teksten, die Hooft en Vondel toch niet voor niets schreven, moeten nu eindelijk maar eens worden gebeiteld in de zerk boven Sweelincks graf, als bevestiging van Sweelincks definitieve herwaardering. Ook Revius en Voocht schreven kort na zijn dood gedichten over Sweelinck. Dat deed veel later ook Constantijn Huygens, die onder leiding van Sweelinck nog de viola da gamba had bespeeld in het Amsterdamse Collegium Musicum.

Het was een merkwaardige tijd waarin Sweelinck leefde, economisch, politiek, religieus en muzikaal. De verhuizing van de Sweelincks uit de Hanzestad Deventer naar het opbloeiende Amsterdam, markeert het begin van de Gouden Eeuw. Sweelinck genoot in Amsterdam onder de elite van de burgerij veel aanzien. Zo was hij was de muziekleraar van Margareta van Erp, de vrouw van Hooft. In opdracht van het Amsterdamse stadsbestuur ging hij in 1604 naar Antwerpen om daar bij Ruckers een klavecimbel te kopen dat bij bijzondere gelegenheden en ontvangsten van gasten door hem moest worden bespeeld. Het ging hier om cultureel èn commercieel prestige voor Amsterdam: de door Pieter Isaaksz. beschilderde klep, die de handel op de Oost verheerlijkt, kostte meer dan het instrument zelf. De klep bevindt zich sinds kort in het bezit van het Rijksmuseum, en het symposiumboek gaat er uitvoerig op in: het is het enige tastbare Sweelinck-relict dat ons rest.

Sweelinck reisde niet naar het buitenland, maar hij maakte wel gebruik van de talloze internationale verbindingen die Amsterdam had. Hij kende de Venetiaanse muziek van Gabrieli en Willaert, de Engelse muziek van Byrd, Bull en Dowland, hij wist van Spaanse en Duitse muziek. Net als Bach later zou doen, integreerde hij die in zijn eigen werk: variaties, toccata's, ricercare's en fantasia's op de grens van renaissance en barok.

De Tachtigjarige oorlog woedde tijdens Sweelincks leven, maar ook de Hollandse godsdiensttwisten tussen de protestanten onderling. Sinds de Amsterdamse `Alteratie' in 1578, de officiële overgang van het katholieke geloof naar het protestantisme, was er geen plaats meer voor een echte kerkorganist. Een tekst op het koorhek in de Oude Kerk hekelt nog steeds het katholieke misbruik van de kerk, dat gepaard ging met duivelse uiterlijkheden als beeldhouwwerk en orgelmuziek.

Gratis muziek

Het werk in de Oude Kerk van Sweelinck, die zelf hoogstwaarschijnlijk katholiek bleef, was slechts burgerlijk van karakter. Sweelinck was niet in dienst van de kerk, hij speelde ook niet tijdens de protestantse godsdienstoefening. Het orgel klonk slechts vooraf en na afloop, dan gaf Sweelinck zijn orgelconcerten. De Oude Kerk was dan, zoals men dat ook op schilderijen ziet, een soort atrium, een overdekt plein waar men elkaar tegen kwam, waar honden rondliepen en waar men luisterde naar de gratis muziek.

Na Sweelincks dood, zo schrijft Rudolf Rasch in het symposiumboek, verminderde de belangstelling voor hem snel. Sweelincks meerstemmigheid, vooral in zijn vocale muziek, was voor de Hollandse musici en luisteraars te ingewikkeld. Sweelinck werd wel beroemd in Noord-Duitsland en bleef dat, dankzij zijn Duitse leerlingen en Duitse versies van Sweelincks psalmzettingen. Die Noord-Duitse orgelschool leidde uiteindelijk via Sweelinckleerlingen als Scheydt, Hasse, Siefert, Düben en Praetorius tot Johann Sebastian Bach, die 64 jaar na Sweelincks dood werd geboren. De claim van Havelaar, ,,zonder Sweelinck geen Bach, zoals wij die kennen'', heeft wel enige grond, maar is in zijn gretigheid ook discutabel. Dan kan men de verbinding met Bach immers nog verder terugvoeren: op de vader en grootvader van Sweelinck en diens leraren, wellicht de organisten van de Haarlemse Bavo.

Het gebrek aan aandacht voor Sweelinck in de afgelopen eeuwen is wel enigszins begrijpelijk. Zijn oeuvre is oud en sterk gespecialiseerd: solomuziek voor klavecimbel, orgel en complexe a cappella vocale muziek. Dat laatste deel van Sweelincks muziek wacht nog op een eigen box. Sweelinck schreef geen aantrekkelijke grotere, samengestelde vormen, geen orkestwerken, geen concerten voor solistische instrumenten, geen cantates, zoals die allemaal wel bij Bach voorkomen. Maar Sweelincks variaties op Mein junges Leben hat ein End met die melancholieke dalende noten hadden het eeuwige leven: nog geciteerd door Berio en Andriessen.

Het aantrekkelijke van de Sweelinck-box is de variatie in de samenstelling: steeds wisselende instrumenten, telkens andere musici en erg gevarieerde muziek. Op elke cd hoort men zo het `dan sus, dan soo'.

Sweelinck The complete keyboard works NM Classics 92119

Sweelinck Studies Proceedings of the Sweelinck Symposium Utrecht 1999. Stimu Utrecht 2002

Leendert Havelaar: Jan Pieterszoon Sweelinck. Uitg. Niesje Wolters van Bemmel Epe. www.niesjewolters.nl

Morgen om 20.15u. speelt Dick Koomans muziek van Sweelinck en Bach in de Oude Kerk te Amsterdam.