Crisisopvang Amsterdam niet representatief

De psychiatrische crisisopvang in de grote steden mag zich in een warme belangstelling verheugen. Met name Amsterdam heeft in de afgelopen weken geregeld de landelijke pers gehaald, meestal in verband met het mislukte experiment met de screeningsruimte, en de felle kritiek van hoofdcommissaris Van Riessen op de Amsterdamse GGZ-instellingen. Hoewel de kritiek zich op verschillende onderdelen van de crisisopvang richt, lijken alle critici het over één ding eens: de huidige organisatie van de crisisopvang in Nederland sluit niet meer aan bij de eerste opvang door de politie, de huisartsen en de EHBO's en dus zijn aanvullende voorzieningen noodzakelijk.

Internationaal gezien zijn er grote verschillen in de wijze waarop de psychiatrische crisisopvang is georganiseerd. Zo zijn binnen Nederland uitsluitend mobiele crisisdiensten actief, terwijl men in de meeste Europese landen, net als in de VS en Canada, voornamelijk met psychiatrische EHBO's werkt. Vanuit de gedachte dat een psychiatrische crisisinterventie zoveel mogelijk in de sociale omgeving van de patiënt zou moeten plaatsvinden, werd het Nederlandse model jarenlang beschouwd als de ideale vorm van crisisopvang en hebben veel grote steden in het buitenland in de afgelopen tien jaar naast de psychiatrische

EHBO's tevens mobiele crisisdiensten opgericht.

Ondanks deze verschillende organisatievormen lijkt de afstemming van verantwoordelijkheden tussen de eerste lijn (politie, huisartsen, EHBO's), de crisishulpverlening en de psychiatrische ziekenhuizen, ook in het buitenland, het grootste probleem te zijn.

In Amsterdam heeft deze discussie over de afstemming zich tot nu toe uitsluitend gericht op de taakverdeling tussen de politie en de crisisdiensten. Daarbij wordt uit het oog verloren dat een goed georganiseerde crisisopvang alleen kans van slagen heeft als de totale keten van zorg gemanaged wordt en niet alleen de afzonderlijke schakels. Met andere woorden: het heeft geen zin om aan het begin van de keten een screeningsruimte op te richten als aan het eind van de keten geen bed beschikbaar is. Om dergelijke knelpunten te voorkomen is in Den Haag de totale keten van zorg (crisisdienst, opnamebureau, avond/nachthoofden en dienstdoende artsen van de kliniek) een jaar geleden samengevoegd tot één organisatorische eenheid die buiten kantooruren verantwoordelijk is voor de totale 24-uurs crisisopvang.

Hierdoor is een goed georganiseerde zorgketen ontstaan waardoor de crisisdienst van Parnassia kan garanderen dat een cliënt die, na beoordeling op het politiebureau, moet worden opgenomen binnen 1 uur op zijn bed ligt. Een dergelijk snelle opname is overigens alleen mogelijk dankzij de inzet van de verpleegkundigen van de gesloten afdelingen van Parnassia, die ondanks de enorme werkdruk steeds opnieuw bereid zijn het zoveelste `overbed' te accepteren. Vanuit dezelfde ketengedachte heeft het dan ook geen zin om bij Volksgezondheid te vragen wat extra bedden neer te zetten als er onvoldoende verpleegkundigen zijn om de zorg te bieden.

Opvallend in de discussie over de crisisopvang is het standpunt van de politie dat psychiatrische patiënten niet in een politiecel thuishoren en de opvang niet tot de kerntaken van de politie behoort. Dit standpunt is juist voorzover het de reguliere psychiatrische zorg betreft. In die zin heeft de politie gelijk dat de GGZ-instellingen een draai om de oren verdienen, omdat ze onvoldoende crisisbedden weten vrij te maken.

Maar dit standpunt is op zijn minst discutabel als het gaat om de eerste opvang van verwarde mensen waarbij de veiligheid in het geding is. Bij mensen met een psychiatrische stoornis die een gevaar zijn voor zichzelf of de omgeving zijn de politie en de GGZ samen verantwoordelijk. De politie heeft in Nederland nu eenmaal het monopolie op het gebruik van lichamelijke dwang wanneer gewelddadige situaties dreigen, bovendien zijn politieagenten de deskundigen bij uitstek als het gaat om het kalmeren en onder controle brengen van mensen die agressief of gevaarlijk gedrag vertonen. Om deze reden is in de psychiatrische EHBO's in het buitenland altijd politie aanwezig om de veiligheid te waarborgen en participeren in Canada wijkagenten in de crisisdiensten van de grote steden.

De wijze waarop men in Amsterdam dit gezamenlijk probleem probeert op het bordje van de GGZ-instellingen te schuiven is daarom onacceptabel. Bovendien zit er aan de Amsterdamse oplossing, waarbij de politie verwarde burgers aflevert bij een screeningsruimte die beheerd wordt door hulpverleners, een groot juridisch bezwaar: is het vasthouden van burgers zonder een juridische titel door de politie in het kader van hun hulptaak nog te verdedigen, het vasthouden van burgers door andere burgers (hulpverleners) komt volgens de letter van de wet feitelijk neer op vrijheidsberoving. Wat dat betreft is het wachten op de eerste aanklacht van een boze patiënt die vindt dat hij/zij onterecht is vastgehouden.

Gelukkig is de Amsterdamse situatie niet representatief voor de rest van Nederland en is de samenwerking tussen de politie, de crisisdiensten en de GGZ-instellingen over het algemeen goed. In andere grote steden zoals Den Haag en Rotterdam zijn bovendien gesprekken gaande over een formele samenwerking tussen de politie en de crisisdiensten voor de opvang van verwarde mensen. Daarbij gaan de gedachten uit naar een centrale opvang waarbij de politie verantwoordelijk is voor de veiligheid en GGZ-medewerkers beschikbaar zijn voor de eerste psychiatrische zorg. Door dergelijke vormen van constructieve samenwerking kunnen de politie en de GGZ gebruikmaken van elkaars deskundigheid en wordt voorkomen dat, zoals in Amsterdam, de gezamenlijke problemen bij de andere partij over de schutting worden gegooid.

Eric Barends is manager bij Parnassia en verantwoordelijk voor de psychiatrische crisisopvang in Den Haag.