Bij voorbaat al alles verloren

Kind op zoek naar vader. Zo zou je Afkomst, de derde roman van Michel Krielaars, kunnen samenvatten. Zijn hoofdpersoon behoort tot die grote groep van kinderen (tien, of zelfs twintig procent, naar het schijnt) die niet verwekt zijn door hun officiële vader. Op zijn dertiende deed hij die schokkende ontdekking en werd hij, die tot die tijd een onbezorgde, gelukkige jeugd had, `uit het paradijs getild'. Een kind dat zijn afkomst niet kent, of zich er niet mee kan verzoenen, zal zich nooit helemaal kunnen ontplooien, zo is de boodschap.

Met het (actuele) onderwerp is niets mis, maar aan de uitwerking ervan schort wel het een en ander. Die is aan de trage en zwoegerige kant, met melodramatische ondertonen. Krielaars koos voor een dubbel perspectief. Afwisselend mogen zoon Benno (ongeveer dertig jaar) en moeder Lies (begin zestig) vertellen over hun niet geringe problemen. Benno is nog altijd boos op zijn moeder, omdat zij ooit iets voor hem heeft verzwegen. `Tien jaar lang heeft ze me in de maling genomen', sputtert hij. Lies is op haar beurt ontstemd over haar zoon die maar blijft zeuren over vroeger. `Het was tenslotte al zó lang geleden' en dat terwijl `het' haar ook allemaal maar is overkomen.

Gaandeweg wordt duidelijk wat dat `het' inhoudt. Benno blijkt niet de zoon te zijn van zijn jonggestorven vader, maar van `oom Gerard'. Vanaf dat moment is het gedaan met zijn levensvreugde en weet hij zich beroofd van zijn jeugd, zijn illusies, en zijn vooruitzichten. Een tweede-generatieslachtoffer, zo voelt hij zich. Om zijn waardeloos geworden leven nog enige glans te geven, verzint hij van alles en nog wat om indruk te maken op anderen. Onder zijn `pathologische fantasie' verschuilt zich een eenzame jongen-met-moedercomplex, die zijn studie ziet mislukken, alleen begeerd wordt door oudere dames, zijn eigen kost niet weet te verdienen, er vreemde vrienden op na houdt en zijn ziel in het algemeen in ledigheid bezit.

Zo bepalend, lijkt Krielaars te willen zeggen (gelet ook op de titel), is afkomst. Gaat daar iets mis, dan is alles al bij voorbaat verloren. De ellende wordt automatisch doorgegeven, van moeder op dochter of zoon. Ook moeder Lies is, zo valt te begrijpen uit haar sombere relaas, volledig gedetermineerd door haar komaf. Zij had wel een vader, maar die stierf jong en aan hem worden verder geen woorden vuilgemaakt. Voor Lies had het lot andere problemen in petto: de oorlog, een gesneuvelde broer, een bitse moeder en een zo mogelijk nog snibbiger zuster, vervelende schoonmaakbaantjes en een eenzelvige, jong verongelukte echtgenoot die meer van boeken hield dan van zijn vrouw en die haar het zo vurig gewenste kind niet wist te geven. Zoals al het andere overkwam ook kunstschilder Gerard haar. Gerards oog viel op haar mooie, lange benen en hij vroeg haar naakt voor hem te poseren, in ruil voor een paar schoenen. Van het een kwam na enige tijd het ander.

Afkomst lijkt wel een 19de-eeuwse, naturalistische roman met zijn vele grijstinten en zijn uitputtende beschrijving van uiteenlopende, alledaagse treurnis. Er gebeurt veel, maar echt interessant wil het maar niet worden. Moeder en zoon zeggen ook veel, maar op een behartenswaardige uitspraak of gedachte vallen ze nauwelijks te betrappen. De weinig pregnante stijl van Krielaars draagt ook niet meteen bij aan de gedachte dat we een stevig en houdbaar verhaal in handen hebben. In de vloed aan details over onhebbelijke kantoormeisjes, de trompetlessen van meneer Piersma, de kleptomanie van de doofstomme oom Eli, de vanille-geur van buurmeisje Manja, de avances van gastarbeider Hassan en de huwelijksproblemen van Mieneke, valt op den duur geen kern meer te ontdekken.

Helemaal aan het eind van de roman lijkt het geduld van de lezer, die zich door een flinke berg narigheid heeft moeten heenwerken, te worden beloond met een lichtpuntje. Benno krijgt een inzicht. Ineens realiseert hij zich `dat we uit zoveel meer bestaan dan alleen de dingen die ons zijn overkomen'. Wat dat `meer' precies inhoudt, wordt niet helemaal duidelijk, maar hij lijkt nu eindelijk te begrijpen dat een mens tot meer in staat is dan afwachten en boos of verdrietig zijn. Hij kan ook proberen, zo ontdekt Benno, om zich met zijn lot te verzoenen. Hij accepteert oom Gerard, zij het inmiddels ook postuum, alsnog als vader. Daarmee wordt hij eindelijk vrij man, zo is de suggestie. Slaat hij dan zijn vleugels uit, om als de donder iets van zijn leven te gaan maken? Nee. Benno holt naar zijn moeder, schenkt haar vergiffenis en sluit haar liefdevol in zijn armen. Eind goed al goed: een verrassend zoetsappig einde voor een overigens mismoedig stemmende roman.

Michel Krielaars: Afkomst.

Contact. 222 blz. €17,80