Amerika moet nu geen oorlog met Irak beginnen

De hoogste prioriteit voor de VS is de strijd tegen het terrorisme. Het is niet ondenkbeeldig dat wanneer besloten wordt nu op te stoten naar Bagdad dit het einde betekent voor de mondiale antiterroristische campagne, meent Brent Scowcroft.

Saddam is door en door slecht maar hij is vooral een machtsbeluste overlever

In Amerika woedt op dit moment een debat of het een oorlog met Irak moet beginnen. Geregeld lekken strategieën uit voor een aanval op Irak. De regering-Bush belooft een `ander bewind', maar stelt wel dat er nog geen besluit is genomen of, en laat staan wanneer, de inval zal beginnen.

Het staat buiten kijf dat Saddam Hussein een bedreiging is. Hij terroriseert en koeioneert zijn eigen volk. Hij is tegen twee van zijn buurlanden een oorlog begonnen. Hij getroost zich een enorme inspanning om zijn strijdkrachten weer op te bouwen en ze te voorzien van massavernietigingswapens. We zullen allemaal beter af zijn als hij weg is.

Strategisch lijkt Saddam uit te zijn op dominantie van de Perzische Golf of beheersing van de olie uit het gebied – of beide. Daarin schuilt een reële bedreiging voor wezenlijke Amerikaanse belangen. Maar er zijn nauwelijks bewijzen voor een betrokkenheid van Saddam bij terroristische organisaties, laat staan bij de aanslagen van 11 september. Sterker nog, Saddams doelstellingen hebben weinig gemeen met die van de terroristen die ons bedreigen en er is weinig aanleiding voor hem om met hen samen te spannen.

Het is onwaarschijnlijk dat hij zijn investering in massavernietigingswapens op het spel zou zetten, laat staan zijn land, door dergelijke wapens te verstrekken aan terroristen die ze voor hun eigen doeleinden zouden gebruiken maar Bagdad als afzender zouden vermelden. Het dreigement om met die wapens chantage te bedrijven – dus los nog van hun feitelijke gebruik – zou Saddam en zijn hele regime op een vernietigend antwoord van de VS komen te staan. Weliswaar is Saddam door en door slecht, maar hij is vooral een machtsbeluste overlever.

Gelet op de agressieve regionale ambities van Saddam en gevoegd bij zijn meedogenloosheid en onvoorspelbaarheid, zou het op een bepaald moment verstandig kunnen zijn hem af te zetten. Of en wanneer dat moment komt, dient af te hangen van de Amerikaanse nationale veiligheidsprioriteiten als geheel. Onze hoogste veiligheidsprioriteit – herhaaldelijk onderstreept door de president – is de oorlog tegen het terrorisme. Een aanval op Irak op dit moment zou een ernstig risico vormen voor, zo niet het einde betekenen van de mondiale antiterroristische campagne die wij zijn begonnen.

De Verenigde Staten zouden het Iraakse leger en het bewind van Saddam zeker kunnen verslaan en vernietigen. Maar van een leien dakje zou het niet gaan. Integendeel, het zou ongetwijfeld een hoge prijs vergen – ernstige gevolgen voor de Amerikaanse en mondiale economie – en wel eens bloedig kunnen zijn. Saddam zou waarschijnlijk tot de slotsom komen dat hij niets meer te verliezen heeft, en daarom alle massavernietigingswapens die hij bezit in de strijd gooien.

Maar waar het om draait is dat elke campagne tegen Irak, ongeacht de strategie, kosten en risico's, ons onherroepelijk voor onbepaalde tijd zal afleiden van onze oorlog tegen het terrorisme. Erger nog, de wereld is op het ogenblik vrijwel eensgezind tégen een aanval op Irak. Zolang die houding bestaat, zouden de VS nagenoeg een solostrategie tegen Irak moeten volgen, waardoor militaire operaties navenant moeilijker en duurder worden. Maar de ernstigste schade zou de oorlog tegen het terrorisme lijden. Een veronachtzaming van dit duidelijke sentiment zou leiden tot een ernstige verzwakking van de internationale samenwerking met ons tegen het terrorisme. En die oorlog kunnen we niet winnen zonder enthousiaste internationale samenwerking, vooral op inlichtingengebied.

De ergste gevolgen zouden misschien het gebied zelf treffen. De algemene opvatting ter plaatse is dat Irak hoofdzakelijk een obsessie van de VS is. De obsessie ter plaatse is echter het Israëlisch-Palestijnse conflict. Als wij ons zouden afkeren van dat bittere conflict – terwijl wij het kunnen oplossen, zoals in het gebied terecht of ten onrechte wordt gemeend – om Irak te lijf te gaan, zou er een algemene verontwaardiging tegen ons losbarsten. Dan zouden we voorbijgaan aan een wezenlijk belang van de moslimwereld om een beperkt Amerikaans belang te dienen.

Ook zonder betrokkenheid van Israël zou een en ander heel goed kunnen leiden tot destabilisatie van de Arabische regimes in het gebied, waarmee paradoxaal genoeg één van Saddams strategische doelstellingen zou worden bevorderd. Op z'n minst zou elke samenwerking tegen het terrorisme worden gesmoord, en zouden de rijen van de terroristen zelfs kunnen aanzwellen. Omgekeerd: hoe meer vooruitgang wij boeken in de oorlog tegen het terrorisme en hoe groter de inzet die wij tonen om het Israëlisch-Palestijnse vraagstuk op te lossen, hoe groter de internationale steun zal zijn om Saddam te lijf te gaan.

In elk geval moeten wij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aansporen om vast te houden aan een doeltreffend stelsel van onaangekondigde inspecties in Irak – op elk moment, overal, zonder toestemming vooraf. Volgens hoge regeringsfunctionarissen zal Saddam Hussein op dat punt nooit met zo'n inspectieregime akkoord gaan. Maar mocht hij dat wel doen, dan kan hij dankzij inspecties nauwlettend in de gaten worden gehouden, ook als niet al zijn massavernietigingswapens worden ontdekt. En als hij zou weigeren, levert zijn afwijzing misschien de overtuigende casus belli die wij volgens velen op het ogenblik ontberen. Ook een overtuigend bewijs dat Saddam over kernwapens beschikt zou een dergelijk effect kunnen hebben.

Al met al is er alle kans op succes binnen ons hele scala van veiligheidsbelangen – Irak inbegrepen – mits we te werk gaan in het volle besef dat de wezenlijke vraagstukken in het gebied nauw verweven zijn, en we het antiterrorisme als onze belangrijkste prioriteit blijven zien. Maar als we het grote geheel uit het oog verliezen, brengen we niet alleen onze campagne tegen het terrorisme, maar ook de stabiliteit en veiligheid in een cruciaal gebied van de wereld in gevaar.

Brent Scowcroft was nationale-veiligheidsadviseur onder de presidenten Gerald Ford (september 1974 tot januari 1977) en George H.W. Bush (1989-1993), en is verbonden aan het Forum for International Policy.

© Wall Street Journal Europe