Zoeken naar een bindmiddel speelt nationalisten in de kaart

Nieuwkomers een gelofte van trouw laten afleggen ter bevordering van de sociale cohesie is niet alleen dubieus, maar miskent tevens de actuele verhoudingen, meent Ruben Gowricharn.

Tussen culturele diversiteit en sociale cohesie wordt te makkelijk een spanning verondersteld. De suggestie is dat culturele eenvormigheid eerder leidt tot sociale cohesie dan culturele diversiteit. In dit perspectief is de multiculturele samenleving per definitie problematisch. Om die cohesie te bevorderen pleitte J.W. Sap ervoor om in navolging van de Verenigde Staten van Amerika nieuwkomers een gelofte te laten afleggen waarin ze trouw beloven aan vlag en natie (Opiniepagina, 4 juli). Een `civil religion' die de culturele diversiteit overstijgt en de nieuwkomers in aanraking brengt met de ziel van Amerika.

Dat de gelofte van trouw religieuze connotaties heeft is niet interessant. Zeker in Nederland waar de secularisatie ver is voortgeschreden hecht men weinig waarde aan symbolische religieuze uitingen. Van groter belang is de vaststelling dat het cohesiebevorderende bindmiddel per generatie kan verschillen en zelfs binnen een generatie aanzienlijke verschuivingen kent. Dat is te illustreren aan de hand van de huidige `minderhedenproblematiek'. Drie overlappende definities van sociale cohesie hebben de politieke toonzetting van de multiculturele samenleving bepaald, overigens zonder dat een van de definities volledig plaats heeft gemaakt voor een andere.

Aan het begin van de jaren tachtig werd sociale cohesie gezien in het perspectief van een dreigende of reeds ontstane tweedeling. De bestrijding van de werkloosheid en de verhoging van het onderwijspeil van werklozen om hun herintreding mogelijk te maken, waren de belangrijkste doelstelling van opeenvolgende kabinetten. Het economische herstel en het scheppen van zogenoemde additionele banen maakten het mogelijk dat tal van laag- en ongeschoolde werklozen niet op een uitkering hoefden terug te vallen.

Als gevolg daarvan nam de omvang van de `etnische onderklasse' af, terwijl de bevolking aan de onderkant van de samenleving van samenstelling veranderde. Oude minderheden zoals Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen maakten grotendeels plaats voor nieuwe minderheden (Somaliërs, Joegoslaven, Ethopiërs, Vietnamezen, Afghanen), een wisseling die ook terug is vinden in de categorie `armen'. De alarmerende toonzetting alsof zich een multiculturele drama voltrekt of dat de werkloosheid massaal is, gaat voorbij aan deze veranderingen aan de onderkant van de samenleving. Eveneens wonderlijk is het feit dat de opkomst van een allochtone middenklasse volkomen wordt genegeerd. Terwijl dit succes van de multiculturele samenleving meer handvatten biedt voor een cohesiebevorderende ontwikkeling.

In de jaren negentig werd de cohesieproblematiek vooral gedefinieerd in termen van waarden en normen. De verwijzing was niet alleen naar de straatschuimers van allochtone afkomst in de centra van de grote steden en het daarmee gepaard gaande geweld, maar ook naar bijvoorbeeld de opvoeding van allochtone peuters en de positie van de vrouw. Tezamen met processen van wijkconcentratie en de wrijvingen tussen bepaalde delen van de islam en de westerse waarden werd de `cultuur' van allochtonen als het belangrijkste cohesieprobleem gedefinieerd.

Gaandeweg de jaren negentig, maar vooral na de 11e september werden minderheden geassocieerd met terrorisme en veiligheid. Hiermee werd een politieke definitie van sociale cohesie geïntroduceerd. De oplossing van dit cohesieprobleem wordt `loyaliteit' genoemd. Niet alleen minderheden blijken meerdere loyaliteiten te hebben. Dankzij het snel groeiend aantal gemengde stellen en dito vriendschappen kent ook een toenemend deel van de autochtone bevolking meerdere loyaliteiten. Zolang deze natie-overstijgende bindingen beperkt zijn tot autochtonen, is er weinig aan de hand. Bij allochtonen wordt dit evenwel vertaald als onvoldoende identificatie met de ontvangende samenleving.

Uit diverse onderzoekingen naar de opvattingen van hindoe- en moslimjongeren komt naar voren dat zij in overgrote meerderheid de westerse democratische waarden onderschrijven. Niettemin worden allochtonen hardnekkig geassocieerd met onveiligheid, criminaliteit en terrorisme. Dit wantrouwen is inmiddels geïnstitutionaliseerd in het nieuwe ministerie Vreemdelingenzaken en Integratie. De boodschap aan immigranten is duidelijk: ,,Ik zie u liever niet komen, maar als ik u toch moet toelaten, zal ik u in de gaten houden'. Vertrouwen als bindmiddel is een onbekende specie in dit denken. Minderheden blijven, ongeacht hun prestaties, vooralsnog in de beklaagdenbank zitten.

De gelofte van trouw heeft een soortgelijke implicatie. De huidige spanningen in de multiculturele samenleving worden niet zozeer veroorzaakt door nieuwe groepen, maar door de oude minderheden. Sterker, het betreft ofwel jongeren die hier geboren dan wel getogen zijn ofwel religieuze leiders die in eigen gemeenschap een marginale positie innemen.

De meeste oude minderheden vallen echter nauwelijks op. Surinamers bijvoorbeeld bepaalden lange tijd de problematische gezicht van de multiculturele samenleving, maar nu heeft deze groep moeite het nieuws te halen. Mutatis mutandis geldt dat voor het grootste deel van de andere oude minderheden. De plaatsbepaling van nieuwe groepen zal naar verwachting minder moeizaam plaatsvinden dan bij de oude minderheden het geval was. De omvang en interne cohesie van deze nieuwe groepen is minder groot, hun toerusting is grosso modo gunstiger, terwijl ook de samenleving die hen opneemt explicieter is geworden in haar verwachtingen.

Een gelofte van trouw is niet alleen dubieus, zo'n maatregel gaat ook voorbij aan de actuele verhoudingen. Het feit dat veruit het grootste deel van de minderheden een respectabel bestaan heeft opgebouwd in Nederland, dat het veronderstelde gebrek aan cohesie aan wisselende zaken wordt afgelezen, dat loyaliteiten niet meer beperkt zijn tot een land, dat de onderwerping van nieuwkomers aan zo'n nationalistische ritueel de suggestie wekt dat zij onvoldoende gecommitteerd zijn aan Nederland, en bovenal, dat opname in de samenleving vertrouwen veronderstelt terwijl van het politieke bedrijf eerder wantrouwen afstraalt. In al deze aspecten vinden nationalistische maatregelen die gericht zijn op een monoculturele eenheidsstaat hun beperkingen. Het feit dat juist dit nationalisme de politieke wind mee heeft, is tekenend voor de spagaat waarin Nederland zich in heeft gemanoeuvreerd.

Ruben Gowricharn is hoogleraar multiculturele cohesie en transnationale vraagstukken aan de Katholieke Universiteit Brabant. Dit is deel 4 van een serie. Eerdere afleveringen verschenen op 4 juli, 3 en 6 augustus en zijn te lezen op www.nrc.nl/opinie.