`Taalgen' ontstond 200.000 jaar geleden

Een gen dat nauw samenhangt met het taalvermogen van de mens heeft ergens in de afgelopen 200.000 jaar op twee plaatsen een belangrijke verandering ondergaan. Deze mutaties in het zogeheten FOXP2-gen, dat miljoenen jaren daarvoor niet veranderde, markeren mogelijk een doorbraak in de evolutie van het taalvermogen. Duitse en Britse onderzoekers beschrijven hun ontdekking vandaag in het wetenschappelijk tijdschrift Nature.

Het is niet bekend hoe oud menselijke taal is. Volgens sommige theorieën ontstond het taalvermogen in rudimentaire vorm al twee miljoen jaar geleden, met de komst van Homo erectus. Tijdens de menselijke evolutie, met de groei van de hersenen, is dit taalvermogen steeds complexer geworden. De mutaties van het FOXP2-gen zouden ongeveer samenvallen met het ontstaan, zo'n 150.000 jaar geleden, van de moderne mens: Homo sapiens, met aanzienlijk grotere hersenen dan Homo erectus.

Ook chimpansees, gorilla's en mogelijk zelfs papegaaien hebben het vermogen om dingen (knoppen, gebaren of klanken) te laten verwijzen naar andere dingen. Maar alleen de mens bezit het vermogen om woorden naar andere woorden te laten verwijzen. Door deze complexe manipulatie van symbolen is de mens in staat een eigen wereld in taal op te bouwen.

Uit vorig jaar gepubliceerd onderzoek was al duidelijk dat een bepaald gen, het FOXP2-gen, een belangrijke rol speelt in het menselijk taalvermogen. Wetenschappers uit Oxford en Londen onderzochten een familie waarvan sommige leden problemen hebben met de fijne mondmotoriek. Ook hebben ze moeite met het onderscheiden van lettergrepen, met de vervoeging van werkwoorden en de vorming van grammaticale zinnen. Bovendien hebben ze afwijkingen in de basale ganglia, een groep hersengebieden die met elkaar verbonden zijn en een rol spelen bij de motoriek. Voor buitenstaanders zijn de lijders aan dit syndroom vrijwel onverstaanbaar. De afwijkingen bleken terug te voeren op een fout in het FOXP2-gen.

Het onderzoek in Nature vergelijkt het FOXP2-eiwit van de muis, de chimpansee, de gorilla, de rhesusaap, de orang-oetang en de mens. Het eiwit is 715 aminozuren (de bouwstenen van een eiwit) lang. Bij de chimpansee, de gorilla en de rhesusaap vertoont het eiwit geen enkel verschil. Het FOXP2-eiwit van de mens verschilt twee aminozuren met dat van deze apen, en drie aminozuren met dat van de muis en de orang-oetang. De verschillen met de gorilla en de chimpansee zijn zo'n 200.000 jaar geleden ontstaan, aldus de onderzoekers. Ze onderzochten het FOXP2-eiwit ook bij honderd mensen over de hele wereld. Bij 99 personen was het eiwit volkomen identiek, bij slechts één week het een klein beetje af. Als een eiwit zo constant is binnen een soort, is het waarschijnlijk erg belangrijk.