Spiegeltent

Het stuk eindigt met een hartverwarmend duet uit de Parelvissers, een gezang dat nog na het applaus doorklinkt en overgenomen werd door het publiek. Als ik over de plankieren de uitgang zoek, zie ik overal lachende gezichten.

De spiegeltent waarin de voorstelling gehouden werd stond deze zondag op het Lux-plein in Nijmegen. Een ronde tent is het, met de schoonheid van een poffertjeskraam. Spiegels en pilaren van klatergoud, simpele banken en een klein podium. De kinderen zaten als bij een poppenkast op de voorste banken, de neus op het podium, hun ouders eromheen. Het stuk Dubbeldooier van Toneelgroep Oostpool werd onder ideale omstandigheden uitgevoerd. Resteerde alleen nog de vraag waarom ik zelf niet had meegedaan. Ik had niet gelachen en het applaus overgeslagen.

Wat hadden we beleefd? Een samenspraak van twee mannen, de broers Otto en Berend, met precies dezelfde bruine pakken, weggelopen uit een dertigerjarenfilm. Toen was het doek nog gesloten. De mannen voerden behalve hun samenspraak ook koddige bewegingen uit, een spel van vergissingen. Schonk de een wat in een glas dan dronk de andere het uit, wou de een om de tafel heen, dan botste hij tegen de ander aan. De aanblik was, mede omdat beiden een zwart hoedje droegen, als van Jansen en Janssen. Ook hun dialoog, met voortdurende vergissingen en herhalingen, deed aan deze stripfiguren denken.

De plot was vooralsnog simpel: de broers waren naar eigen zeggen uit een ei geboren (vandaar die dubbeldooier ), bijna Siamees verstrengeld en woonden altijd bij elkaar. `Berend', vroeg Otto, `je zult me toch nooit verlaten, ook niet voor een vrouw?' De broers zwoeren eeuwig trouw.

Scène twee, doek gaat open. Een nieuwe decor, adembenemend. Een tropisch eiland, palmen, pilaartjes, een zee met zeegroene golven en een vrouw, Laila, in ruisend wit gewaad. Als ze met haar ogen knipperde, zag je haar dubbel verlengde wimpers. Een toonbeeld van verleidelijkheid. De kinderen keken hun ogen uit. Een man kwam binnen, een tegenstander, drager van een reusachtige tulband en een kromzwaard, woedend als een dolle derwisj. Zij begonnen te bewegen en gaven zich over aan de de oriëntaalse klanken van Bizet. De tulband stond Laila naar het leven, de gebroeders, door verlangen naar haar verscheurd en uiteengedreven, konden haar niet redden. Het einde voltrok zich op de brandstapel.

Tot zover de ingrediënten, ze kunnen met elkaar makkelijk een stuk dragen. De melange van toneel en muziekspel is aantrekkelijk. De spelers en zangers beheersten hun rol tot in de puntjes. En het decor was een bezienswaardigheid. Toen de gordijnen opengingen en we ineens in een sprookje uit 1001 nacht belandden, was ik net als de kinderen onder de indruk. Het decor kon daarbij als in een stuk van Dario Fo met kunstgrepen tot leven worden gebracht. De zee kon werkelijk golven, olifanten reden af en aan. Maar de illusie hield net als bij echte fata morgana's maar voor even aan en was daarna verdwenen. Ik begon me af te wenden van deze manier van theater maken, van de kinderlijkheid die hierin wordt gevierd en tot norm verheven.

Je ziet het wel vaker tegenwoordig, vooral bij straattheater of zomerfestivals, dan is het opeens weer tijd voor vette effecten, voor volkse genres, slapstick, vaudeville, ouderwetse opera en clownerie. Het begint als een grap, verstandige mensen weten wel dat dit soort toneel passé is en alleen kan worden uitgevoerd met een leuke knipoog, bij wijze van camp. Maar als camp lang genoeg voortduurt, verandert dat weer van karakter. Als toneelschrijvers en regisseurs voortgaan met hun parodieën en het publiek blijft toestromen naar de festijnen en straalt bij het zien van potsenmakers met bruine pakken, dan is de cirkel rond. Dan zijn we in een nieuwe, kinderlijke theaterfase terechtgekomen.

Dat gebeurde die middag in de spiegeltent. Uit de folder had ik het al van tevoren kunnen weten. De tekst was weer meer dan gezellig, heerlijk ouderwets. Speels! We zouden gaan kijken naar een familiestuk voor iedereen tussen 8 en 88.