Rechter wil regels voor verschoning

Driekwart van de rechters vindt dat er een verschoningscode moet komen met richtlijnen wanneer een rechter wegens persoonlijke omstandigheden of belangenverstrengeling een bepaalde zaak niet moet doen.

Dat blijkt uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Daarbij werden 786 rechters, 201 leden van het openbaar ministerie en 265 advocaten ondervraagd over wraking en verschoning van rechters, voorafgaand aan en tijdens rechtszittingen. Ook leden van het openbaar ministerie en advocaten zijn in meerderheid voorstander van een dergelijke verschoningscode.

Rechters overwegen regelmatig of zij een bepaalde zaak kunnen behandelen, blijkt uit het onderzoek. De afgelopen twee jaar heeft 40 procent van de ondervraagde rechters zich vóór een zitting teruggetrokken, 4 procent tijdens de zitting. De belangrijkste reden om een zaak niet te behandelen is een persoonlijke relatie met een van de betrokken procesadvocaten.

Het WODC turfde over een jaar minimaal 139 wrakingsverzoeken, waarbij een advocaat of officier van justitie vond dat de rechter een bepaalde zaak niet kon behandelen. Het exacte aantal wrakingverzoeken is niet te achterhalen, die worden namelijk niet afzonderlijk geregistreerd. Ook gaven advocaten en officieren van justitie aan dat zij vaak niet overgaan tot wraking, ook al is daar in hun ogen wel aanleiding toe. Zij doen dat niet om de verhouding met de rechter niet te verstoren, of omdat zij het proces niet willen vertragen of te weinig juridische gronden zien.

Nevenfuncties van rechters zijn in de praktijk nauwelijks aanleiding om tot wrakingverzoek over te gaan, zo blijkt. Wel gaven ondervraagde rechters aan nevenfuncties bij het openbaar ministerie of in de politiek onaanvaardbaar te vinden. Een van de rechters in de zaak van Volkert van der G., verdacht van de moord op Pim Fortuyn, is actief PvdA-lid.