Vacature (m/v)

Krijgt minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ooit nog zijn tweede staatssecretaris? Is de onthoofde leiding van de LPF eigenlijk wel in staat iemand (m/v) te vinden die zich op aanvaardbaar niveau kan buigen over kinderopvang, emancipatie-, levensloop- en gezinsbeleid? Het zijn zo langzamerhand geen kinderachtige vragen meer, maar volwassen zorgen.

Het tweede staatssecretariaat op Sociale Zaken, dat aan de LPF was toegedicht, heeft een hoge ideologische waarde. De staatssecretaris moet waarmaken wat premier Balkenende als een van zijn hoofdtaken ziet: de voorwaarden scheppen voor een verzoening van individuele ontplooiing en gezinsvorming. Waarom Balkenende uitgerekend deze post aan de LPF heeft toevertrouwd, is een raadsel. In de carrousel van de kabinetsformatie was dit staatssecretariaat kennelijk een sluitpost. Feit is dat de portefeuille nu al drie weken zwerft.

Na het fiasco op 22 juli met Philomena Bijlhout, de kortst dienende bewindspersoon in de geschiedenis, is gisteren beoogd staatssecretaris Fiona de Vilder onderwerp van een tragikomedie geworden. Indringende gesprekken met premier Balkenende en minister De Geus hebben haar de ogen geopend voor een realiteit die haar buurman, Kamerlid Ferry Hoogendijk van de LPF, bij zijn aanzoek had versluierd. Na al deze conversaties zag ze toch maar af van de functie.

De Vilder heeft gelijk. De vriendelijke hilariteit die haar ten deel viel toen haar kandidatuur bekend werd, was al geen gunstige voorbode voor een vliegende start in het openbaar bestuur. Het gebrek aan steun dat ze vervolgens bij de CDA-bewindslieden vond, maakte duidelijk dat de grootste coalitiepartner van de LPF haar klein wilde houden.

De LPF zit nu met de brokken. Het personeelsbeleid van de tweede partij van Nederland begint pijnlijke trekjes te vertonen. De derde kandidaat voor de post op Sociale Zaken is daarvan op voorhand het slachtoffer. Maar het is kortzichtig alleen de LPF de schuld te geven van de farce met De Vilder. Er rust ook een grote verantwoordelijkheid bij niemand minder dan premier Balkenende zelf. Ruim twee weken heeft hij De Vilder laten antichambreren. Al die tijd zag hij geen kans een afspraak met haar te laten maken, noch met collega De Geus of zijn eigen ambtelijke top in het Torentje te Den Haag, noch met hemzelf ergens in de buurt van zijn vakantiewoning in Zeeland.

Dit op het eerste gezicht weinig charmante gedrag roept twee vragen op. Hecht Balkenende geen waarde aan de coalitie met de LPF en dus aan de kandidaten die deze partij voordraagt? Of vindt hij het staatssecretariaat gezinszaken niet zo belangrijk als hij doet voorkomen? Zijn behandeling van portefeuille en kandidaat is hoe dan ook in strijd met het Rotterdamse imago dat Balkenende zich heeft aangemeten. Gelet op deze pretenties zou `een goed begin het halve werk' zijn geweest.

Het omgekeerde is met De Vilder gebeurd. Dit gebrek aan elegantie en regie is geen hedendaagse daadkracht, maar ouderwets gerommel.