Thuiskomen

Het grote voordeel van thuiswerken is dat je er niet van hoeft thuis te komen. Een hardnekkig verschil tussen mannen en vrouwen is dat vrouwen het eigen huis en wat daarbij komt kijken als hun arena blijven zien. In theorie is iedereen voor het eerlijk delen van zorg en werk, gelijke tijdsinvesteringen en verantwoordelijkheden, maar in de praktijk bestaat er een enorme weerzin van vrouwen tegen het opgeven van de supervisie, oftewel de macht. Nergens komt dat sterker tot uiting dan bij het thuiskomen van het werk.

De klassieke scène van de vaderlijke thuiskomst tussen vijf en zes uur 's avonds gaat als volgt: vader treedt binnen, de kinderen storten zich joelend op hem, hij omhelst ze en schudt ze vervolgens minzaam af, de hond apporteert de pantoffels, een kind overhandigt hem de krant, zijn vrouw schenkt hem een whisky in, terwijl de heerlijke geuren van het avondeten dat over twintig minuten gereed zal zijn zich door het huis verspreiden. Dit jaren-vijftig-model wordt nauwelijks nog aangetroffen; mannen die nu thuiskomen hebben soms een kind van de crèche opgehaald of boodschappen gedaan. Wanneer ze de drempel overschrijden, bemoeien ze zich intensiever met hun kinderen dan alleen een begroeting, en in voorkomende gevallen koken ze zelfs het eten.

Wat hetzelfde is gebleven, ondanks de hand- en spandiensten en de verhoogde betrokkenheid bij het gezinsleven, is de ontspanning, het `hè-hè, we zijn weer thuis'-gevoel. De thuisgekomen man hoeft niet in de watten te worden gelegd. Hij pakt heus zelf wel een biertje uit de ijskast. Maar voordat hij de aardappels gaat schillen, werpt hij een blik in de krant of zet een cd op, waar hij toevallig zin in heeft. De huiselijke sfeer, met kinderen, huisdieren en vertrouwde voorwerpen, heeft na de werkdag voor hem een ontspannende werking.

Met vrouwen gaat dat anders. Voor hen is de thuiskomst helemaal niet relaxed. Sinds ik een tijdelijk baantje buiten de deur heb, doet dit fenomeen zich weer in volle hevigheid aan mij voor. Na een (ontspannen) werkdag doe je de voordeur open, en het lijkt wel of er een vloedgolf over je heen spoelt. In de eerste plaats is daar de teleurstelling dat bijna alles er nog bijligt zoals ik het die ochtend enigszins gehaast heb achtergelaten. De kranten van gisteren, verspreid over de bank; kruimels en kringen op de eettafel. De teleurstelling is niet gerechtvaardigd, ik had tenslotte geen instructies gegeven voor kruimelverwijdering, maar wel had ik instructies uitgereikt voor het in gang zetten van de afwasmachine (die ik nog volop hoor klotsen, dus dat hebben ze zich ook maar net herinnerd) en instructies voor de inkoop van het avondeten. Helaas is daarvan een essentieel ingrediënt vergeten, zodat iemand terug moet naar de winkel. De verantwoordelijke voor de boodschappen, die het wisselgeld nog in zijn zak heeft zitten, kan ik niet terugsturen want hij heeft pianoles.

Ik ben door mijn contanten heen, dus als ik zelf naar de supermarkt ga, moet ik eerst langs de bankautomaat. Of tien minuten wachten tot de pianoles is afgelopen. Intussen maakt mijn dochter mij erop attent dat ze in groep 6 wel zeker een agenda nodig heeft (dat heeft de juf zelf gezegd en kunnen we er nu eentje gaan kopen?) en eraan herinnerd dat haar gymtas weg is. Aan het zoeken daarnaar had ik 's ochtends al tien minuten besteed. Een hernieuwde speurtocht levert alleen een volgens mij prima bruikbaar sportbroekje op, dat door mijn dochter hautain wordt afgewezen: `Dit is stom – het lijkt op een rokje.'

De thuiskomst is stresserender dan de werkdag, terwijl het voor mannen andersom ligt. Mannen puffen thuis uit, vrouwen doen dat op hun werk. De een z'n arena is de ander z'n tribune.