Schrijven in de schemer

Adriaan Roland Holst deed niet aan tuinieren. Het riet rond zijn huisje in Bergen reikte tot aan het dak, valt bij Jan van der Vegt, zijn biograaf, te lezen. Andere mensen verzinken in het niet, ik in het riet, placht hij te zeggen. Het was zijn jungle in zakformaat en hij hield van de schemersfeer die deze binnenshuis veroorzaakte. Toen het op den duur zo erg werd dat het riet door de gaten in de houten kozijnen heengroeide, kon hij echter niet langer om een ingreep heen. Terwijl hij in 1962 een paar weken elders logeerde, zette zijn buurvrouw Didia de Boer een tuinman aan het werk om de wildernis te snoeien. Het huis kwam weer net zo kaal op het kleine erf te liggen als het in 1921 opgeleverd was. Na terugkeer sloeg Roland Holst de schrik om het hart. `Het is het licht van veertig jaar geleden', zei hij tegen een bezoeker, `maar ik ben het niet meer'.

De ingreep in zijn tuin was voor hem een ingreep in zijn identiteit geworden schrijft Jan van der Vegt, en dat de angstaanvallen tijdens zijn depressies verhevigden hing hiermee samen. Hij had spiegels in zijn kamer, niet uit ijdelheid maar omdat de spiegel hem een verstilde werkelijkheid liet zien, van een andere orde dan de gewone, en in dat glas voor hem herinneringen zichtbaar konden worden, de kamer van jaren geleden terugkwam. In de spiegel kon hij zich de nabijheid voorstellen van zijn verborgen opdrachtgever, zijn dubbelganger, maar dat kon tijdens de depressies ook tot angstaanvallen leiden. In de zomer van 1964 werd dit zo erg dat hij het huis ontvluchtte en naar Laren ging. Na een tijdje keerde hij terug, maar het ging opnieuw mis. Het huis bleek nog steeds een spookhuis te zijn. Heeft in zijn angstaanvallen de Verborgene, die ooit in de glazen deuren was verschenen, zich in het spiegelbeeld vertoond als een gestalte die hem streng veroordeelde? Of was het erger, en was in een hallucinatie de spiegel leeg gebleven als hij ervoor stond? Wat hij ook meende te zien, het waren symptomen van een diepgaande vervreemding van zichzelf.

Roland Holst besloot voorgoed uit het huis weg te gaan. Zijn vriendin Didia de Boer, die net rond die tijd huisvestingsproblemen kreeg, mocht er blijven wonen. Zij was dol op tuinieren, legde meteen een tuin aan en plantte een heg. Dezelfde heg die nu nog het uitzicht over het weiland met koeien, wilgen en populieren belemmert, neem ik aan.

Voor een schemerduistere sfeer in het kraakhelder gerenoveerde huisje zorgen overigens de regenwolken wel, daar heb je zomer 2002 in Nederland geen woekerend riet voor nodig. Na ruim een week in dit huis heb ik aardig wat verstand van af- en aandrijvende buien gekregen, van koeien die staan te peinzen in zompige weilanden en van druppels die op hun dooie gemak van een rieten kap afrollen en voor de ramen langs vallen. En doordat ik zo lijfelijk in Roland Holst zijn `tweede huid' gekropen ben, kan ik me in dit weer bij zijn depressies ook meer voorstellen dan van nature al.

Maar mij hoort niemand klagen, want ben ik hier om te werken of om in de zon te liggen? Nou dan. Op een van die regenachtige dagen breekt opeens halverwege de middag de zon door de wolken en een flink stuk blauwe lucht kondigt zich aan. Mijn man gooit zijn boek terzijde, springt op uit zijn stoel en gaat onverwijld de grasmachine uit de schuur halen. Die heeft hij al dagen willen uitproberen. Even later loopt hij energiek ratelend de nagedachtenis aan de buurvriendin van Roland Holst te eren; zijn overhemd hangt zelfs na een kwartier al aan een boomtak. Ik ga ook naar buiten, slenter hem nietsdoend een beetje in de weg en tik af en toe zinloos tegen een natte bloem. Onze gebruikelijke rolverdeling in een notendop.

Over het pad naast de vaart tegenover het huis komen een man en een vrouw aangefietst, alweer in T-shirt, maar met de regenpakken nog onder de snelbinders. Hij rijdt een stuk voor haar; ze komt even van haar zadel omhoog en roept met heldere stem, die ver draagt door de windstilte: `Ik ben onderhand wel aan een bilmassage toe!' Haar tochtgenoot draait zich om en roept terug: `Ja, ga maar even in het gras liggen.' Hun lach klatert over de vaart en ze verdwijnen uit beeld.

`Kut', roept een buurjongen, die aan de andere kant van de schutting met een grote hond buiten gekomen is en zo te horen een woest spel in het grind aan het spelen is. `Sta 's eens keer stil, beest!' Een brutale ekster scheert over me heen, landt in het gemaaide stuk gras en grist een worm tussen het nog glinsterend maaisel weg. De koeien aan de overkant beginnen opeens gezellig te hollen.

Fantomen? Verborgen dubbelgangers in glazen deuren? Hier niet, hoor.

wordt vervolgd