Overdracht stukken aan enquêtecommissie is terecht

Waarheidsvinding is voor een enquêtecommissie geen doel op zich, maar staat ten dienste van de hoofdtaken van het parlement: medewetgeving en controle van de regering, betoogt Alis Koekkoek.

Een parlementaire enquête blijft een zwaar middel. Dat is maar weer gebleken uit het arrest van het Amsterdamse gerechtshof van maandag 12 augustus in het geschil tussen de Enquêtecommissie Bouwnijverheid en Deloitte & Touche Accountants. De enquêtecommissie-Vos had in kort geding inzage geëist in het dossier dat ten grondslag ligt aan het onderzoek dat Arthur Andersen, dat met Deloitte is gefuseerd, heeft gedaan naar de handelwijze van ambtenaren van de provincie Zuid-Holland. Het onderzoeksdossier bevat verklaringen van ambtenaren die zij aan de accountants hebben afgelegd onder voorwaarde van strikte geheimhouding.

Dat is te begrijpen, want er is sprake van mogelijke strafbare feiten. De president in kort geding van de Rechtbank Amsterdam weigerde op 25 juli de gevraagde voorziening omdat door het afgeven van de verklaringen de waarborgen die de Wet op de Parlementaire Enquête geeft aan getuigen zouden worden omzeild. Het Amsterdamse gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en Deloitte opgedragen inzage in de onderliggende verklaringen te geven.

De uitspraak van het gerechtshof is een overwinning voor de Enquêtecommissie Bouwnijverheid en daarmee voor de parlementaire democratie. Dat klinkt theatraal, maar dat is het niet. Een parlementaire enquête is het zwaarste middel dat het parlement kan inzetten. Vaak wordt gezegd dat een enquête zo belangrijk is omdat zij de waarheidsvinding dient. Dat is ook zo, maar die waarheidsvinding is geen doel op zichzelf. Het achterhalen van de waarheid staat namelijk ten dienste van de hoofdtaken van het parlement, te weten de medewetgeving en de controle van de regering.

Daarom is een enquêtecommissie uitgerust met de zwaarst denkbare bevoegdheid, die in de Verenigde Staten kernachtig wordt aangeduid als the power to send for persons and papers. Het dwingen van getuigen om te verschijnen en te spreken, en het opvragen van stukken bij eenieder zijn ingrijpende bevoegdheden, die dan ook met de nodige waarborgen zijn omkleed.

In de zaak van de enquêtecommissie tegen Deloitte was artikel 3 van de Wet op de Parlementaire Enquête aan de orde. Dit artikel geeft de commissie de bevoegdheid inzage te vorderen in en afschrift te nemen van alle bescheiden waarover personen of rechtspersonen beschikken, en die naar het redelijk oordeel van de commissie nodig zijn voor de vervulling van haar taak. De bevoegdheid is niet onbeperkt.

Artikel 18 van de wet beschermt beroeps- of bedrijfsgeheimen indien openbaarmaking zou leiden tot onevenredige schade voor de uitoefening van iemands beroep of bedrijf. Deloitte had dit aangevoerd omdat zij onevenredige schade zou lijden in de uitoefening van het beroep van forensisch accountant.

De rechtbank ging overigens aan dit argument voorbij. Een andere waarborg is dat zogenoemde geheimhouders, bijvoorbeeld artsen of advocaten, inzage mogen weigeren van bescheiden waarop hun beroepsgeheim van toepassing is. Accountants vallen echter niet onder de erkende `geheimhouders'.

Wat kan een enquêtecommissie doen als iemand weigert de gevraagde documenten te verschaffen? Artikel 10 van de Wet op de Parlementaire Enquête voorziet in de mogelijkheid hem te laten vervolgen wegens overtreding van artikel 192a van het Wetboek van Strafrecht. Dit is een bijzondere procedure want de strafzaak wordt niet behandeld door de strafkamer, maar door de burgerlijke kamer van de rechtbank. Dat is minder oneervol. Een strafrechtelijke veroordeling wegens het niet-voldoen aan een vordering van een parlementaire enquêtecommissie is zeker een stok achter de deur, maar levert de commissie nog niet onmiddellijk de gevraagde documenten op.

De stap die de Enquêtecommissie Bouwnijverheid heeft gezet om een kort geding aan te spannen teneinde het onderzoeksdossier van Deloitte te krijgen, is daarom heel bijzonder en even bijzonder is dat de voorzieningenrechter in Amsterdam geen probleem maakte van zijn bevoegdheid om van de vordering van de enquêtecom- missie kennis te nemen.

Dat sprak niet vanzelf want je zou kunnen redeneren dat als de Wet op de Parlementaire Enquête in artikel 10 een speciale procedure geeft om een weigeraar te vervolgen, niet daarnaast ook nog de algemene bevoegdheid van de burgerlijke rechter van toepassing is. Dat de rechtbank en het gerechtshof zich bevoegd achtten, bewijst weer eens dat bijna elk juridisch geschil in Nederland aan de rechter kan worden voorgelegd.

Het lijkt mij overigens beter dat de Wet op de Parlementaire Enquête zelf regelt wat een commissie kan doen als iemand weigert bepaalde documenten te verschaffen.

De redenering die de Amsterdamse rechtbank vervolgens heeft toegepast om de vordering van de enquêtecommissie af te wijzen, acht ik in strijd met de Wet op de Parlementaire Enquête. Deze wet kent procedures voor het dwingen van getuigen en voor het opvragen van stukken.

De rechtbank haalt die procedures door elkaar. Zij redeneert: de enquêtecommissie mag niet de waarborgen voor getuigen (bescherming van bedrijfsgeheim, verschoningsrecht voor geheimhouders, getuigenverklaring mag in rechte niet als bewijs worden gebruikt) omzeilen door vertrouwelijk gegeven verklaringen van ambtenaren op te eisen.

Deze redenering gaat eraan voorbij dat artikel 3 van de wet alleen de beperking stelt dat de enquêtecommissie de gevorderde bescheiden redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van haar taak. Er staat niet dat vertrouwelijk afgelegde verklaringen niet onder de `bescheiden' vallen. Terecht heeft het Amsterdamse gerechtshof daarom het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Maarten van Traa had als voorzitter van de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden inzage in de zeer geheime informantenregisters van criminele inlichtingendiensten.

Aan de informanten was uitdrukkelijk geheimhouding beloofd, maar dat betekende niet dat een belofte van geheimhouding het werk van een enquêtecommissie kon frustreren. Het spreekt vanzelf dat een enquêtecommissie zorgvuldig omgaat met gevoelige gegevens.

De commissie die de Bouwnijverheid onderzoekt zal dat ongetwijfeld ook doen met de verklaringen over Zuid-Holland die zij nu dankzij de uitspraak van het gerechtshof ontvangt.

Prof.mr. A.K. Koekkoek is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant en was lid van de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (1994-1996).

www.nrc.nldossier bouwfraude