Hoe Heinsbroeks Arcade cd-prijzen hoog hield

Het toenmalige bedrijf van minister Heinsbroek (EZ) is in '99 veroordeeld wegens illegale prijsafspraken in de cd-handel. Nu doet de NMa onder zijn verantwoordelijkheid onderzoek naar de cd-branche.

Op de website van het `entertainmentmagazine' Muziek en Beeld is de eerste reactie op de benoeming van Herman Heinsbroek als minister van Economische Zaken allerminst vleiend. Muziek en Beeld is het blad voor ondernemers in de cd-branche. Heinsbroek heeft in die wereld zijn reputatie opgebouwd: onder zijn hoede is platenmaatschappij Arcade een succes geworden, hij verkoopt het bedrijf in 1996 voor 200 à 300 miljoen gulden aan Wegener. Zo wordt hij een rijk man. ,,En als eerste wapenfeit noteren wij een stevig en diepgaand onderzoek naar de cd-prijzen en de schandalige kartelpraktijken van de industrie. Hoera!'', zo reageert op 16 juli de anonymus `pikvogel' in Muziek en Beeld op Heinsbroeks benoeming.

De beschuldiging dat de prijzen van compact discs kunstmatig hoog worden gehouden is zo oud als de cd-branche zelf. Industrie en winkeliers zouden samenspannen om ten koste van de consument een te hoge prijs te rekenen. Alleen de laatste tien jaar al is er officieel driemaal onderzoek naar ondernomen. Het meest recente loopt nog: bij de kartelpolitie NMa, een zelfstandig onderdeel van Heinsbroeks ministerie, voert men op dit moment een `sectorscan' uit om het (dis)functioneren van de cd-markt bloot te leggen. Eind dit jaar valt het besluit of een officiële procedure tegen de branche wordt begonnen.

Volgens de woordvoerder van de NMa zijn er twee redenen voor de `sectorscan': ,,Na invoering van de euro kwamen er berichten dat de markt niet goed functioneert. Volgens een klacht van de Consumentenbond gingen prijzen bijna overal met bijna hetzelfde percentage omhoog. En er zijn natuurlijk al langer signalen dat de cd-prijzen te hoog zijn.''

Onderzoek van de Economische Controledienst (ECD) in 1993 bracht die signalen aan het licht. Maar bewijs voor een kartel werd ook toen niet gevonden. Er is echter één geval in de recente geschiedenis waarbij verboden prijsbinding is aangetoond. In 1999 leveren de ECD en justitie in Utrecht het bewijs dat platenmaatschappij Arcade in strijd met de wet (te hoge) prijzen oplegde aan twee detaillisten. Het leidt tot een veroordeling wegens `inbreuk op de economische orde', die de rechtbank als `ernstig' typeert, aldus het vonnis van 4 juni 1999. Arcade krijgt een boete van 150.000 gulden. De tenlastegelegde feiten zijn in 1995 en 1996 gepleegd door de Arcade Music Company, ruggengraat van de Arcade Entertainment Group, waarvan Heinsbroek die jaren de leiding heeft.

De zaak wordt aangezwengeld door Walther W. Bakker uit Ede. Hij heeft eerder in de cd-branche gewerkt als hij medio jaren negentig terechtkomt bij Disk House, een beginnende cd-groothandel met Duitse financiers. Disk House is anders dan normale groothandels. Het levert ook cd's aan ketens als Ako en Megapool, in de cd-wereld `branchevreemde verkooppunten' genoemd, omdat ze stunten met prijzen. Daar hebben industrie en detaillisten een hekel aan. Die vrezen dat prijsstunts een sneeuwbaleffect hebben, zodat de winstmarge structureel afkalft. Weliswaar is het Nederlandse cd-kartel in 1974 verboden door de Europese Commissie (net als het bouwkartel in 1992), maar sinds begin jaren tachtig doet zich op de cd-markt alleen incidenteel prijsconcurrentie voor. In een boek in opdracht van de cd-detailhandel zelf, Muziek in detail uit 1997, staat dat na het einde van van het kartel in 1974 een heftige prijzenoorlog losbarst – reden waarom Free Record Shop opkomt. Maar na 1981, nadat diverse bedrijven zijn gesneuveld, sluit de branche vrede. ,,Bij de overblijvers bestaat het besef dat het hanteren van het prijswapen weinig zinvol meer is'', aldus het boek. Ziehier de reden voor de argwaan tegen de cd-branche: aan de ene kant hogere prijzen dan in buurlanden, anderzijds vrijwel overal gelijke prijzen.

Arcade, een klein maatschappijtje dat vanaf 1983 onder directeur/eigenaar Heinsbroek snel groeit, is in veel opzichten een outsider in de branche. Het bedrijf produceert geen muziek maar reproduceert alleen, op verzamel-

albums, het heeft geen artistieke pretenties. Maar in één opzicht is Arcade als alle andere maatschappijen: Arcade-cd's zijn zelden in de uitverkoop.

In de zaak met Disk House blijkt hoe de cd-markt werkt. Bakker van Disk House levert juist aan winkels die willen stunten. En volgens destijds uitgewisselde faxen komt hij in eerste instantie met Arcade-medewerker M. van de Burgt overeen dat hij cd's mag verkopen aan winkels die ver onder de normale prijzen duiken. Er wordt in detail over geproken; de winkels in Groningen, Emmen, Zwolle, Almere Stad, Apeldoorn en Arnhem-Elden.

Maar als het erop aankomt trekt Arcade die toezegging in. Op 20 november 1995 faxt Arcade aan Bakker: ,,Zoals ik je telefonisch heb meegedeeld houden onze bestaande relaties zich aan de verkoopadviesprijs en als wij akkoord zouden gaan met jouw voorstel zouden wij ons dus in een vervelende positie plaatsen ten opzichte van onze bestaande relaties.'' Vrij vertaald: andere winkeliers pikken het niet als jullie onder de prijs mogen duiken. Geen bewijs voor een kartel, wel een belangrijke aanwijzing. Van de Burgt, die de fax heeft geschreven, geeft geen commentaar.

Als NRC Handelsblad in 1996 uit de fax citeert zeggen de ECD en het OM aanwijzingen te hebben dat Arcade het verbod op verticale prijsbinding overtreedt. Verticale prijsbinding houdt in dat de producent de winkelier de prijs voorschrijft. Dat is sinds 1964 verboden.

De Arcade-zaak is de eerste waarin verticale prijsbinding aan de rechter wordt voorgelegd. Maar voordat het zover komt, in 1999, doen zich twee belangrijke feiten voor. Januari 1996 verkoopt Heinsbroek Arcade aan Wegener; maar blijft als directeur nog enige jaren verantwoordelijk voor het onderdeel Arcade. En in het onderzoek van de ECD naar Arcade stuit de economische politie op aanwijzingen dat Arcade vaker prijzen aan winkeliers oplegt; de zaak-Disk House staat niet op zichzelf.

Bij de ECD meldt zich de eigenaar van een postorderbedrijfje in klassieke cd's, Allegro, die muziek inkoopt bij een Arcade-dochter voor klassiek repertoire. De man (zijn naam is bij de redactie bekend) legde zes documenten over waaruit blijkt dat Arcade cd-prijzen oplegt aan de detaillist, aldus het requisitoir van de Utrechtse officier van justitie R. Terpstra, op 21 mei 1999 voor de meervoudige strafkamer.

Zijn medewerking aan het onderzoek komt de Allegro-directeur duur te staan. Platenmaatschappijen dreigen hem kapot te maken door late leveringen en het intrekken van kortingen. ,,De angst zat er bij hem goed in'', aldus Terpstra in zijn requisitoir. ,,Hij verklaarde schriftelijk en telefonisch (-) dat hij geen bewijsmateriaal meer wil afstaan op grond van de maatregelen die platenmaatschappijen willen nemen en dat hij bang is dat zijn zaak kapot zal worden gemaakt.'' Of Arcade bij deze bedreigingen betrokken was is nooit vastgesteld.

Wel blijkt in het onderzoek dat de bedrijfscultuur van Arcade aparte trekjes kent. Van de Burgt van de verkoopafdeling, auteur van de gelaakte fax, in zijn verhoor: ,,Eenmaal per veertien dagen is er een sales-vergadering. (-) Daar worden verslagen van gemaakt. Na iedere nieuwe vergadering worden de verslagen van de vorige vergadering vernietigd.'' Zijn leidinggevende bij Arcade verklaart deze handelwijze uit weerzin tegen ,,een memo-cultuur''. Het OM concludeert dat in het bedrijf ,,systematisch notulen en verslagleggingen van vergaderingen [worden] vernietigd en de bedrijfspolitiek [is] dat zo weinig mogelijk op papier mag komen''.

In het onderzoek worden de namen bekend van minimaal vier Arcade-medewerkers die betrokken zijn bij het illegaal opleggen van prijzen of het aanzetten daartoe. Toch vervolgt het OM deze mensen niet persoonlijk. Alleen de rechtspersoon Arcade Music Company wordt vervolgd voor gepleegde feiten in de periode september 1995-augustus 1996; het bedrijf is zevenmaal `individuele verticale prijsbinding' ten laste gelegd. De rechter acht alle zeven bewezen. Arcade tekent geen beroep aan.

In zijn requisitoir stelt de officier van justitie dat hij het illegaal handelen van de medewerkers ziet als bedrijfsbelang, daarom beschuldigt hij niet hen, maar het bedrijf Arcade Music Company (dochter van Arcade Entertainment Group): de werknemers hebben een dienstbetrekking en de directie van de vennootschap een ,,instructiebevoegdheid'', aldus de officier. ,,Gelet op het aantal betrokkenen, het aantal overtredingen, het feit dat de baten van de overtredingen (-) mede de vennootschap ten goede komen en de lange periode waarin de overtredingen plaatsvonden, kan ik niet anders concluderen dat de vennootschap dergelijke gedragen placht te aanvaarden.''

De hier genoemde `directeur van de vennootschap' is niet Heinsbroek maar een van zijn toenmalige medewerkers; de minister wil geen vragen over deze zaak beantwoorden en dus ook niet zeggen of hij zich verantwoordelijk acht voor de strafbare feiten die werden gepleegd toen hij Arcade leidde.

Betrokkenen bij het toenmalige onderzoek zeggen dat de ECD er destijds veel aan deed om het bredere verband van de overtredingen door Arcade in kaart te brengen: het complete cd-kartel. Ze vertellen dat hierover door een `spijtoptant' een prikkelende verklaring is afgelegd, inclusief details over geheime bijeenkomsten van leidinggevenden uit de industrie – maar die stonden tegenover een muur van ontkenningen uit de branche. Toch hintte officier van justitie Terpstra destijds wel op het bredere verband. Hij zei op de zitting: ,,Het is aannemelijk dat de consument in Nederland door het betalen van relatief hoge cd-prijzen een omvangrijk distributienetwerk in leven houdt waarbij sommige inefficiënte bedrijven door de hoge marge kunnen overleven en andere meer efficiënte bedrijven extra winst kunnen genereren terwijl de platenmaatschappijen een relatief rustige markt bedienen met min of meer vastliggende [prijzen].''

Drie jaar later ontstaat bij de NMa de behoefte het functioneren van de cd-markt opnieuw in kaart te brengen. Dit keer onder de politieke verantwoordelijkheid van een minister wiens voormalige bedrijf voor het verstoren van die markt is veroordeeld.