César Franck met aardse piano en etherische cello

Van Buenos Aires tot Lutjebroek – in het reguliere concertseizoen zijn cellist Pieter Wispelwey en pianist Paolo Giacometti op de meest exotische locaties als duo te gast. In de serie Robeco Zomerconcerten van het Concertgebouw trokken zij gisteravond een volle Grote Zaal, waarin de kamermuzikale proporties van de gespeelde werken ver werden opgerekt, maar de klank van Wispelweys cello niettemin totin de uiterste zaalhoekjes zinderde en gonsde.

Het samenwerkingsverband tussen Wispelwey en Giacometti ontstond zeven jaar geleden min of meer bij toeval, toen Giacometti Wispelwey met een invalklus uit de brand hielp. Sindsdien spelen ze frequent samen, en deze maand verscheen bij Channel Classics de vijfde duo-cd met voor cello bewerkte versies van de Vioolsonate in A van César Franck en de Vioolsonate in D van Brahms.

Bewerkingen waren ook in dit recital de hoofdmoot. Naast Francks sonate klonken sonore omzettingen van Brahms Vioolsonate in G en Schuberts Arpeggione Sonate, die zij al in 1996 op cd vastlegden. De musici begaven zich dus op vertrouwd terrein, maar de vitaliteit en de spontaniteit die Wispelwey als cellist tekenen, bleek niet aan slijtage onderhevig.

Zoals Pablo Casals de cello ooit fantasievol omschreef als `een vrouw die met het verstrijken der jaren slechts aan gratie, jeugd en souplesse heeft gewonnen', zo ook suggereert Wispelwey hele verhalen met zijn beeldende fraseringen. In de Arpeggione Sonate resulteerde dat in een tastende, quasi reciterende aanpak van de cellopartij, met voorzichtige maar eigenzinnige begeleidingen van Giacometti.

Het is opmerkelijk dat Brahms zelf tekende voor de bewerkingen van zijn vioolsonates. De hier gespeelde Eerste sonate in G klonk nachtdonker en verinnerlijkt in de melodische curves en orgelde indrukwekkend in de dubbelgrepen, maar de transpositie vier noten omlaag leidde soms tot ietwat vervreemdend aandoende sprongen en modulaties. Hoewel minder secuur omgezet, deed Francks Vioolsonate in de octaaf lager gespeelde versie natuurlijker aan. Deze sonate werd gespeeld na het deeltje Louange à l'Eternité de Jésus uit Messiaens Quator pour la fin du temps, waarin zowel Wispelwey als Giacometti kwamen tot een zeer indringende uitvoering door het contrast tussen aards monotone pianoakkoorden en de etherische cellopartij.

Die concentratie zette voort in Francks Vioolsonate, voor cello bewerkt door een tijdgenoot van de componist. Giacometti vulde de klaterende pianopartij in met sterk en stuwend spel, en ook in Wispelwey's handen klonk deze bewerking als een sonore en zonder meer meeslepende variant van het origineel.

Als toegift was er nog een walsje van Chopin, met vlinderend virtuoos vingerwerk op de cello, maar zonder de spanning en de sprankeling van het origineel. Niet elke bewerking is geslaagd, en na de klankwereld van César Franck leek dit een acrobatisch, maar hol slotakkoord.

Concert: Pieter Wispelwey (cello) en Paolo Giacometti (piano). Muziek van Brahms, Schubert en Franck. Gehoord: 13 augustus, Concertgebouw, Amsterdam.