VS gooien moslims ten onrechte op één hoop

Net zoals de Zesdaagse Oorlog in 1967 het einde van het aanzien van de Egyptische president Nasser inluidde, betekenen de aanslagen van elf september het begin van het einde van de radicaal-extremistische islam, meent Youssef M. Ibrahim.

Er zijn mensen binnen het Amerikaanse defensieapparaat die denken dat de grootste bedreiging van dit moment weleens zou kunnen komen van de aanhangers van een religieuze extremist uit het begin van de achttiende eeuw die opriep tot vernieuwing van de islamitische geest, morele zuivering en afschaffing van alle hervormingen van de islam sinds de zevende eeuw. Die volgelingen staan bekend als de wahabieten.

Hun naamgever zou in de vergetelheid zijn geraakt als zijn aanhangers dankzij een politiek handigheidje geen invloed hadden gekregen over een gebied dat inmiddels één van de rijkste en belangrijkste ter wereld is. In 1745 sloot de religieuze leider Mohammed ibn Abd al-Wahab een verbond met Mohammad ibn Saud, de voornaamste stamleider van een groot deel van het Arabisch schiereiland. Ibn Abd al-Wahab wilde zijn versie van de islamitische orthodoxie uitdragen. Ibn Saud wilde stammen verenigen en de politieke leiding aan zich trekken, en stichtte zo de dynastie Al Saud, die nog altijd heerst over het huidige Saoedi-Arabië.

Sinds de aanslagen van 11 september vorig jaar, uitgevoerd door mensen die hoofdzakelijk uit Saoedi-Arabië kwamen, staat `wahabisme' in het vocabulaire van de Amerikaanse beleidsmakers vrijwel gelijk aan dood, verwoesting en terreur. Bovendien heeft de leer en de invloed van de wahabieten in Riad het Amerikaanse beeld van Saoedi-Arabië gekleurd, en dreigt het land te veranderen van een vriend in een vijand die niets moet hebben van de Amerikaanse waarden en de Amerikanen zoveel mogelijk wil schaden.

Minder duidelijk is dat de aanslagen van 11 september ook hebben geleid tot gespannen verhoudingen tussen de `wahabieten' en de Arabische regeringen. Het verbond tussen het Huis van Saud – rijk, kosmopolitisch en steeds westerser in smaak en gewoonten – en de voorstanders van een sobere vorm van de islam op basis van een letterlijke uitleg van de koran, kan steeds moeilijker in stand worden gehouden.

Steeds meer krantencommentatoren, regionale leiders en Saoedische regeringsfunctionarissen durven zich uit te spreken tegen de achterlijke maatschappijvisie van de `wahabieten'. En de regeringen van de Golfstaten stellen zich harder op tegen de extremisten, die ze eens als nuttig of tenminste als betrekkelijk onschadelijk beschouwden. Het zou wel eens kunnen dat de aanslagen van 11 september en hun nasleep in Afghanistan geen teken zijn van een groeiende wahabi-macht, maar juist het hoogtepunt van hun invloed symboliseren en een keerpunt vormen in de Arabische houding tegenover dat soort extremisten.

Deze nuances zijn belangrijk voor de Verenigde Staten in hun oorlog tegen het terrorisme en hun poging hun vijanden te identificeren. De regering-Bush moet een beter onderscheid maken tussen de islam en de werkelijke vijand – de radicale extremisten binnen de islam. Anders riskeren de Verenigde Staten een botsing met 1,2 miljard moslims over de hele wereld die het niet op prijs stellen om te worden gedemoniseerd omdat ze het oneens zijn met het Amerikaanse beleid in het Midden-Oosten of de Amerikaanse plannen tot een inval in Irak.

Het is waar dat de banden tussen de Saoedische machthebbers en de volgelingen van Wahab sinds jaar en dag realiteit zijn. De Saudische minister van Godsdienst is altijd een lid van de familie Al Sheikh, afstammelingen van ibn Abd al-Wahab. Bovendien zijn de banden tussen ibn Abd al-Wahab en het Huis van Saud bezegeld met tal van huwelijken. De overheersing van de moskeeën door de wahabieten is inmiddels weggeëbd, maar ze bezitten wel hun eigen beruchte religieuze politie en hebben hun invloed uitgebreid via netwerk van scholen door de hele moslimwereld.

Het wahabisme is geen godsdienst of een tak van de islam. De aanhangers zijn geen stam of etnische groepering en ze noemen zich bij voorkeur muwahiddun, `de verenigers'. Wel is het wahabisme uiterst sober en star. Het staat weinig dialoog en nog minder interpretatie toe. Het kant zich tegen beeldendienst, grafstenen of de verering van standbeelden en kunstwerken. De wahabieten verbieden roken, het afscheren van de baard, vloeken, en tal van rechten voor vrouwen. Ze beschouwen iedereen die niet hun vorm van de islam belijdt, met inbegrip van andere moslims, als heidenen en vijanden.

Hun opkomst is een betrekkelijk nieuw verschijnsel. In de jaren vijftig was Cairo, bezield door het nationalisme van Gamal Abdel Nasser, het intellectuele middelpunt van de Arabische wereld. Maar de Israëlische monsteroverwinning op de Arabische legers in de oorlog van 1967 bracht het aanzien van Nasser een klap toe. De islamitische religieuze leiders stapten in dat ideologische vacuüm.

Het paradoxale is dat het geld waardoor de wahabieten overal in de Arabische wereld aan de macht kwamen, ook de kloof heeft verbreed tussen de wahabieten en de Arabische samenleving. Steeds meer wordt de visie van de wahabieten verworpen door de heersende Saoedische elite, de groeiende middenklasse en de machtige zakenwereld in Saoedi-Arabië.

De aanslag op de Verenigde Staten door Al-Qaeda wordt misschien wel het begin van het einde voor deze versie van het radicale islamitische extremisme, zodra de mensen in het gebied de schade ondervinden die Osama bin Laden, een wahabi-volgeling, heeft toegebracht aan de naam en het welzijn van moslims over de gehele wereld. Voor het eerst wordt in Egypte, Pakistan, Saoedi-Arabië, Indonesië, Maleisië en over de hele islamwereld openlijk kritiek op de geestelijkheid uitgeoefend door kunstenaars, politici en commentatoren.

Door het simplisme dat het Witte Huis van Bush propageert worden de islam en het wahabisme één pot nat. Maar die twee verschillen. Natuurlijk, de fundamentalisten zijn door Arabische regeringen in de watten gelegd. Maar ook door de Verenigde Staten, die sjeik Omar Abdel Rahman beloonden met een verblijfsvergunning als dank voor zijn werving van vrijwilligers in Egypte voor de strijd tegen de Sovjetstrijdkrachten.

Zoals de oorlog van 1967 het einde van het nasserisme inluidde, zal de aanslag van 11 september het begin van het einde betekenen van de radicaal-extremistische islam. De islamitische financiële steun droogt op. Na 11 september drogen ook de `moerassen' op die de rekruten opleverden.

Dit betekent niet automatisch dat de Verenigde Staten opeens geliefd zijn. Maar 11 september heeft de Amerikanen wel een opening geboden. Miljoenen moslims die behoren tot het seculiere midden, de zakenwereld en bestuurlijke elites hebben ook een afkeer van de moslimfundamentalisten. Maar ze hebben een even grote afkeer van de Amerikaanse en Midden-Oostenpolitiek. Het wordt tijd om samen met hen de strijd tegen het fundamentalisme aan te gaan zonder van hen te eisen dat ze elk facet van de Amerikaanse politiek onderschrijven.

Youssef M. Ibrahim is verbonden aan de Council on Foreign Relations en oud-buitenlandcorrespondent van The New York Times en de Wall Street Journal.

© LAT-WP Newsservice