Saddam en de Bushdynastie

Het conflict tussen Amerika en Irak heeft niet zoveel met olie te maken, meent de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Het blad betoogt dat ,,conflicten en oorlogen in het Nabije Oosten alleen tijdelijk prijsstijgingen teweegbrengen''. Voordat de invasie in Koeweit in augustus 1990 begon, was de prijs per vat 19 dollar, en toen de interventie in maart 1991 achter de rug was, was de prijs per vat al weer gezakt tot 19 dollar. Bovendien zijn veel landen in West-Europa nauwelijks meer afhankelijk van Arabische olie, dankzij de olie uit de Noordzee, uit Afrika en uit Rusland.

Een ,,mars op Bagdad zou alleen de olievoorziening in het nabije Oosten zelf verstoren'', meent Günter Barudio, de schrijver van het artikel over Irak, olie en oorlog. Hij karakteriseert de obsessie van de familie Bush met Saddam Hussein als ,,het Hannibalsyndroom''. Hij ontleent deze kwalificatie aan generaal Schwarzkopf, de man die van Bush senior in 1991 het verbod kreeg Bagdad te bezetten en Saddam ten val te brengen. Barudio is de auteur van een standaardwerk over de geschiedenis van de aardolie, dat vorig jaar verscheen. De industrielanden hoeven volgens de auteur niet bang te zijn voor stijgende olieprijzen. Want zolang Rusland de olieproductie op het huidige niveau houdt, gaan de prijzen eerder omlaag dan omhoog.

Dat betekent overigens geen prijsoorlog. Maar volgens de weekendeditie van de Financial Times is het wel zo dat de Organisatie van olie-exporterende landen, OPEC, vorige maand 1,5 miljoen vaten per dag meer geproduceerd heeft dan was afgesproken met de afnemers, uit vrees marktaandeel te verliezen aan niet-OPEC-landen, met name Rusland. Het blad schrijft dit op gezag van het Internationaal Agentschap voor Energie, IEA, gevestigd in Parijs. Op Iran na was Irak de grootste overtreder van de productieafspraken. De neerwaartse druk op de olieprijs compenseert de neiging tot stijging. Per saldo blijft de prijs in balans op een niveau van 25 dollar per vat ruwe olie, dat is precies tussen de 22 tot 28 dollar per vat die de OPEC zich ten doel had gesteld.

Op vergroting van het marktaandeel in China hoeft de OPEC niet te rekenen. Want volgens de internationale editie van de Neue Zürcher Zeitung heeft het Australische grondstoffenconsortium Australian Liquified Natural Gas een contract met de Chinese regering getekend voor de levering van 3,3 miljoen ton aardgas per jaar. Het contract heeft een looptijd van 25 jaar, en heeft een waarde van 20 tot 25 miljard Australische dollars. Het is volgens het toonaangevende Zwitserse dagblad de grootste exportovereenkomst in de geschiedenis van Australië.

Eigenlijk hadden de Aussies er niet meer op gerekend, omdat de beide concurrenten, Indonesië en de Golfstaat Qatar, goedkopere energie aan China zouden kunnen leveren. Maar uit angst voor oorlog in het Midden-Oosten zouden de Chinezen volgens het blad gekozen hebben voor de duurdere offerte uit Australië. Het Australische aardgas is afkomstig uit de North-West Shelf, dat onder de oceaanbodem ligt. Het consortium dat de levering aan China verzorgt, staat onder leiding van het Australische Woodside Petroleum dat de voorraden al in 1954 ontdekte. Andere deelnemers aan het consortium zijn Shell, BP, BHP Billiton, Chevron Texaco en Mitsubishi-Mitsui. Door de levering van het aardgas verhoogt Australië de totale exportwaarde met 14 procent.

De prijs van ruwe olie lijkt te stijgen met het oplopen van de politieke spanning tussen de VS en Irak. Volgens het Duitse weekblad Wirtschaftswoche zal de prijs van ruwe olie en van andere energiegrondstoffen verder oplopen, na een korte onderbreking in juni. Het blad schrijft dat op gezag van het Hamburger Welt Wirtschafts Archive. Het prijspeil zet daarmee de stijging voort die in januari van dit jaar is begonnen.

De Amerikanen hebben Saddam en Bush niet nodig om zich zorgen te maken over de energievoorziening. Daar hebben ze hun eigen ondernemingen voor. Enkele van de grootste concerns in de sector zitten volgens The Economist flink in de problemen. De kans op ernstige stroomstoringen lijkt nog steeds klein, maar dat is ook het enige goede nieuws. Het grootste probleem is dat de toonaangevende energiebedrijven zoveel schulden hebben, dat ze gedwongen worden bedrijfsonderdelen te verkopen, bijvoorbeeld aan MidAmerican Energy, een onderdeel van Warren Buffett's investeringsonderneming Berkshire Hathaway. Ook banken als Morgan Stanley varen wel bij de problemen van de Amerikaanse energiebedrijven.

Volgens BusinessWeek zijn de Amerikanen zo bang geworden dat ze geen risico meer durven nemen. Het gevaar bestaat dat het vermijden van risico's eenzelfde soort stagnatie veroorzaakt als die in de jaren zeventig, betoogt het blad, toen venture capital bijna ophield te bestaan. Volgens het blad is er geld zat, maar de beleggers willen er niet vanaf.

Tenzij ze, schrijft het Amerikaanse maandblad Business 2.0, hun oog laten vallen op de opkomende markten. Want Morgan Stanley Capital International Emerging Markets Free Index steeg de laatste negen maanden 32 procent. De miezerige 2,4 procent stijging van de Standard&Poor;-index, de meetlat van het bedrijfsleven in de rijke landen, valt daarbij in het niet. En bovendien, opkomende markten zijn goed voor 65 procent van 's werelds grondstoffen, inclusief olie.