Mat: voetnoot bij een voetnoot

We hebben een nieuw Nederland, maar we zitten zonder Mat. En niemand mist hem kennelijk. In plaats van een liefdesbad wordt Mat Herben door zijn partijgenoten ondergedompeld in zure kritiek: hij had geen charisma, was te aardig, toonde zich niet scherp genoeg in het debat en, vooral, hij was te braaf tegen de coalitiepartners met wie hij na gedane zaken een pilsje mocht drinken op het Plein. Eigenlijk is dat laatste een vreemd verwijt. Mat Herbens grootste talent was immers dat van Meewerkend Voorwerp. Hij was de man die zei wat Pim dacht en deed wat Pim zei. Maar dat kameleontische talent deed hem, eenmaal gezellig ingekneld tussen Jan-Peter en Gerrit, de das om.

Zo lijkt het alsof Herben in de paar maanden dat hij zich partijleider mocht noemen, weinig tot stand heeft gebracht behalve de inkapseling van het gedachtegoed van Fortuyn door Haagse krachten. De teleurstelling over zijn optreden onder het LPF-electoraat is groot.

Wie niet van revoluties houdt, zou van de weeromstuit juist opgelucht kunnen ademhalen en geloven dat Herben met dat plooibare knechtengedrag de democratie een grote dienst heeft bewezen. Hij heeft de angel uit de Fortuyn-revolte gehaald door zich keurig in het pak te laten naaien door de gevestigde partijen. De kritiek op zijn verbroedering met Balkenende en Zalm zou dan een oprisping zijn van de romantische heilsverwachting die Fortuyn in het land losmaakte, maar die nu stukloopt op de praktische politiek. Goddank, in deze opvatting. Op het beheerste Dixieland-melodietje van Mat en de Manchetknopen is het gelukkig allemaal niet zo'n vaart gelopen met de revolutie en kan ook een kabinet met de LPF erin een `gewoon' rechts kabinet worden.

Helaas. Die conclusie is te optimistisch. Niet alleen zal het LPF-electoraat op den duur vragen om een waarachtige volksleider, maar Mat Herben heeft sinds 6 mei ook wel degelijk een nieuwe stijl geïntroduceerd in de politiek, waarvan het effect nog lang niet valt te overzien. Het is de stijl van dienstbare onderdanigheid aan de macht en verdachtmakingen aan het adres van de oppositie. Een stijl waarin critici altijd boosaardig zijn en voor zichzelf steevast de rol van vermoorde onschuld wordt opgeëist.

Lees bijvoorbeeld nog eens wat Herben zei toen hij was ondergedoken op een politiebureau nadat hij telefonisch was bedreigd door de meer radicaal utopische elementen in zijn achterban. Tegenover de Telegraaf, die hij uit het politiebureau belde, koppelde hij de bedreiging aan zijn standpunt over de omstreden benoeming van Ad Melkert in Washington. Wat was zijn commentaar? Niet dat zulke bedreigingen een grof schandaal waren en dat zijn geloofsgenoten in Pim beslist niet het recht hadden zich als een soort telefonische knokploeg te gedragen. Nee, hij zei: ,,Het is toch te bizar om mij als vriend van Melkert te beschouwen. [..] Ik heb juist zeer kritische vragen gesteld, ik heb niet mijn jawoord gegeven.'' Oftewel: beste mensen, jullie bedreigen de verkeerde. Je moet mij niet hebben, maar hem, of hem, of haar.

Dezelfde houding spreekt uit een interview dat Herben gaf aan het vakblad De Journalist. Daarin zegt hij ongevraagd: ,,Overigens, ten aanzien van Melkerts ESF-fraude: tijdens de informatie bleek dat er nog behoorlijk wat lijken in de kast zitten. Maar daar wil ik verder niks over zeggen.'' Ja, deze jongen weet iets, iets héél gevoeligs, iets dat hoge functionarissen misschien wel de kop kan kosten. Maar hij kan er nu natuurlijk even niks over zeggen. Zoals hij in een sollicitatiegesprek bij Leefbaar Nederland volgens zijn gesprekspartners ongevraagd en op het randje van chantage begon over het drugsgebruik van Fortuyn dat bij hem bekend zou zijn.

Die naargeestige, wraakzuchtige stijl heeft Herben zijn partij nagelaten: Een Nixoniaanse obsessie met ad hominem afrekeningen en ijverige lijstjes van vijanden met wie na de overwinning nog een appeltje te schillen valt. Het zat hem als gegoten, maar Herben heeft die aanpak op zijn beurt overgenomen van zijn leider Fortuyn, wiens aantrekkingskracht er mede in bestond dat hij politieke kwesties altijd intens persoonlijk maakte en die de man speelde in plaats van de bal met een agressie die past bij het doorgeschoten maar onbehaaglijke individualisme van eigentijds Nederland.

In de mond van het ongeleide projectiel Fortuyn werd dat nationaal cabaret, in handen van de bureaucraat Herben gesjoemel achter gesloten deuren. Philomena Bijlhout maakte gewoon een foutje in haar leven, zoals iedereen, maar voor Ad Melkert is natuurlijk geen genade. De e-mail waarmee voorlichtster Scheffers haar partijgenoot en minister Bomhoff opriep om de arts van haar doodzieke broer te laten ontslaan, was geheel in deze geest van Mat. Alleen had ze die niet, in de geest van Pim, ook nog aan de halve pers moeten rondsturen. Ferry Hoogendijks aanval op de rechter in het proces van Volkert van der G. hoort eveneens bij dat nieuwe politieke perspectief, waarin niemand die er anders over denkt te vertrouwen is, elk maatschappelijk probleem wordt gereduceerd tot een casus van persoonlijke onwil of wanprestatie, elk succes wordt opgeëist als private triomf, en waarin de legitimiteit van procedures, formele verhoudingen en instituties wordt ondermijnd. Daarmee is trouwens ook de paradox van de LPF gegeven: de partij is gegroeid op een voedingsbodem van angst, afkeer en wantrouwen, maar het voortbestaan ervan vraagt om compromis, overleg en samenwerking.

In zijn interessante boekje De veiligheidsutopie, afgelopen vrijdag besproken in de boekenbijlage van deze krant, beschrijft criminoloog Hans Boutellier hoe de heftigheid van het moderne leven in Nederland (het vanzelfsprekende recht op zelfontplooing, de behoefte aan directe bevrediging van verlangens en het maximaal uitbuiten van je persoonlijke `levensproject') tegelijkertijd het verlangen oproept naar totale bescherming en veiligheid. Het opeisen van een zo groot mogelijke persoonlijke vrijheid én de roep om het volledig uitbannen van risico's en bedreigingen gaan hand in hand. Pim Fortuyn, met zijn zachte, labiele presentatie en zijn spijkerharde moralisme, belichaamde deze paradox, stelt Boutellier in een voetnoot.

Mat Herben was een voetnoot bij die voetnoot.