Bezettingsgraad cellen in Nederland laag

Om het cellentekort te bestrijden, kunnen volgens Nyfer best twee gevangenen in een cel worden ondergebracht. Volgens het onderzoeksbureau blijft het gevangenisregime ook dan nog humaner dan elders.

Een Nederlandse gevangene beschikt met gemiddeld tien vierkante meter over twee keer zoveel celruimte als zijn lotgenoot in de meeste andere West-Europese landen, blijkt uit een internationale vergelijkende studie van onderzoeksbureau Nyfer. Het in juli gepubliceerde rapport werd gemaakt in opdracht van het ministerie van Justitie. Onder de onderzoekers bevond zich Eduard Bomhoff, toenmalig directeur van Nyfer en inmiddels vice-premier en minister van Volksgezondheid namens de Lijst Pim Fortuyn.

Het in piektijden onderbrengen van twee gedetineerden in een cel is in Nederland omstreden, schrijft Bomhoff. Maar wat is humaner? Twee gedetineerden in een cel of één gevangene per cel en de andere crimineel op straat? Gevangenispersoneel verzet zich tegen meerdere gedetineerden per cel, bang als de bewakers zijn voor extra geweld en agressie. Maar over dat verzet valt met de vakbonden wel te onderhandelen, verwacht Bomhoff. ,,Het afkopen van zo'n vakbond kost één avond, het bouwen van een nieuwe gevangenis zes jaar.''

Bovendien heeft Nederland in vergelijking met andere landen veel meer bewakingspersoneel in dienst, zo wordt verder in het rapport betoogd. Ook worden daar veel meer gevangenen in een cellencomplex gestopt dan in Nederland aanvaardbaar wordt geacht. In Nederland wordt een overbezettingsgraad van 102 procent onaanvaardbaar geacht, terwijl in landen als Wales, Frankrijk, Portugal en Spanje overbezettingsgraden voorkomen van 180 tot 367 procent van de feitelijke capaciteit.

Bomhoff bepleit in het rapport een koppeling tussen de beschikbare celcapaciteit en de strafmaat die de rechter in piektijden oplegt. In de VS, Canada en Zweden is dat reguliere praktijk. In Nederland wordt zwaar gehamerd op de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht, maar volgens Bomhoff rijst de vraag of rechters niet liever zelf prioriteiten willen stellen in plaats van de huidige praktijk waarbij politie of justitie via de achterdeur gevangenen vrijlaat. Ook kan volgens Bomhoff het op grotere schaal toepassen van elektronische enkelbandjes, waarbij gedetineerden thuis hun detentie uitzitten, soelaas bieden voor het cellentekort. Met name bij de grote groep gedetineerden die in voorarrest zijn in afwachting van hun strafproces, kan dat celcapaciteit besparen. Deze groep vormt 36 procent van de totale gevangenispopulatie, waarmee Nederland in Europees verband met Frankrijk koploper is.

Nederland heeft het huidige cellentekort, waardoor dit jaar naar verwachting vijfduizend gedetineerden vervroegd in vrijheid moeten worden gesteld, voor een belangrijk deel aan zichzelf te danken, zo concluderen de onderzoekers van Nyfer in het rapport. Begin jaren negentig scoorde Nederland nog laag op de lijst van het aantal gevangenen per hoofd van de bevolking, om midden jaren negentig naar een middenpositie te stijgen. Tot 1997 was dat het gevolg van stijging van de criminaliteit en het opleggen van zwaardere straffen. Daarna groeide de gevangenispopulatie, maar daalde de pakkans en de strafkans. Het huidige cellentekort is volgens Bomhoff vooral het gevolg van ontoereikende prognoses en gebrek aan `buffercapaciteit' om in piektijden extra aanbod van gedetineerden op te vangen.

Het tweede Kabinet-Kok besloot in 1998 uit bezuinigingsoverwegingen om die buffercapaciteit terug te brengen van 7,8 procent naar 3,8 procent. ,,gezien de majeure onzekerheid in de prognoses had dat nooit mogen gebeuren zonder substituten voor gevangenisstraf als enkelbandjes, huisarrest, taakstraffen of boetes'', aldus Bomhoff. Hij bepleit een buffercapaciteit van 13,8 procent. Twee procent van de beschikbare capaciteit is permanent buiten gebruik wegens onderhoud, 3 tot 4 procent is nodig om `seizoenspieken' op te vangen en de onzekerheidsmarges in de prognoses over de werkelijke instroom van gevangenen schommelt internationaal op 5,6 procent, zo wordt in het rapport voorgerekend.

Prognoses, aldus Bomhoff, stellen zeker op de langere termijn niets voor. Over vijf jaar moet volgens hem rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge in die prognoses van 63,1 procent.