Befaamde jazznamen

Er is waarschijnlijk geen terrein waar zo veel bijnamen voorkomen als de jazz-scene. Géén bijnaam is eerder uitzondering dan regel. Het zijn vaak heel intrigerende, al is de herkomst niet zelden apocrief.

Dat jazz van oudsher sterk erotisch getint is – niet voor niets werd de zwarte muziek jarenlang door blanken verboden als bedreiging van de zeden – spreekt uit die namen.

Ferdinand Jelly Roll Morton was een van de eerste invloedrijke jazzpianisten. Een jelly roll is een langwerpig soort broodje met een vulling van jam (de jelly). Door vorm en inhoud lag een vergelijking met het mannelijk geslachtsdeel in opgewonden staat al snel voor de hand.

Over tenorsaxofonist Eddie Lockjaw Davis gaat het verhaal dat hij zo zwaar geschapen was, dat menige vrouwelijke fan die hem haar liefde voor de jazz oraal wilde bewijzen, dat met zware kaakkramp (lockjaw) moest bekopen.

Mooier, maar nog meer in de nevelen van de taalgeschiedenis gehuld, is de herkomst van Lady, de bijnaam van Billie Holliday, zoals terug te vinden in de titel van haar autobiografie Lady Sings The Blues. Volgens de ene versie dankt ze die naam aan een van haar eerste baantjes. Als tiener trad ze op in clubs in Harlem (New York), waar de vrouwelijke personeelsleden geacht werden met hun schaamlippen fooien van de tafels op te pikken. Omdat Billie zich daar te goed voor voelde, kreeg ze de aanvankelijk neerbuigend bedoelde titel Lady. Later werd dat haar geuzennaam; voluit was het Lady Day.

Een andere, minder kleurrijke verklaring is dat orkestleider Lester Young haar de naam Lady gaf, omdat ze onder alle omstandigheden haar waardigheid behield. Zij noemde hem op haar beurt Pres, verkorting van President, omdat ze hem de president der saxofoonspelers vond.

De jazzwereld hangt aan elkaar van de adellijke titels. Ook een mooie, maar moeilijk te bewijzen anekdote is dat een Amerikaans radioprogramma drie van de beroemdste bijnamen opgeleverd heeft. Edward Kennedy Ellington werd in dat programma door de presentator Duke (hertog) genoemd, Bill Basie Count (graaf) en Benny Goodman the King of Swing.

Andere leden van de jazz royalty, zoals Count Basie het noemde, waren King Joe Oliver en Baron Lee. Opmerkelijke uitzondering is Earl Hines; earl is Engels voor graaf, maar van Hines was het gewoon zijn voornaam. Wel verwierf hij in de loop van zijn carrière de bijnaam Fatha, de neger-uitspraak van father, omdat hij met zijn vaderlijke uitstraling voor veel vakgenoten een vertrouwensfiguur werd.

De bekendste bijnaam in de jazz is waarschijnlijk die voor Louis Armstrong: Satchmo is een verkorting van Satchelmouth. Satchel is op zich al slang voor jazzmusicus, maar satchelmouth – letterlijk scheur, in de betekenis van grote mond – was op Armstrongs fysionomie wel bijzonder goed van toepassing.

Een tweede bijnaam voor Uncle Satchmo is Dippermouth. Ook die verwijst naar de maat van zijn mond: het woordenboek geeft als vertaling `een mond als een schuurdeur'. Een andere verklaring wil dat hij die naam kreeg, omdat hij er als enige lid van het orkest in slaagde een waterdipper, een flink uitgevallen opscheplepel, in zijn mond te krijgen. En om de verwarring te completeren: in zijn autobiografie schreef Satch zelf die naam toe aan zijn voorkeur voor het nummer Dippermouth Blues.

Billie Holliday noemde hem gewoon liefhebbend Pops: Opa.