Terug

Mijn laatste stukje voor de vakantie begon ik met de vaststelling dat je je kat beter niet kunt meenemen naar je vakantieadres. Een dierenarts had me dat eens voorgehouden. Het duurt enkele weken voordat de kat aan zijn nieuwe omgeving is gewend, legde hij me uit, en in die periode is het verstandig hem binnen te houden. Hij zou wel eens kunnen verdwalen.

Op mijn stukje kreeg ik een ansichtkaart van `de roodwitte poes van de fam. Sipkes' uit Tsjechië. Ze was daar op vakantie en liet me onder het kokette kopje `Kattenprotest' het volgende weten: ,,F.A. snapt er niets van. Ik ga elke vakantie mee en ik loop los op de camping. Beledigend is dat als ik gehoorzaam kom, mijn baas zegt: ze komt als een hondje.'' De poes had alleen ondertekend met `Hapsnoet', wat ik betreur: poezen behoren niet mee te doen aan de verwerpelijke mode om anonieme kaartjes te sturen als ze het met een columnist oneens zijn.

Iets anders is: moeten we deze poes serieus nemen? Of hebben we hier te maken met een aanstellerige vertegenwoordiger van een deftig ras die zich nóg beter voordoet dan ze al is? Ik weet het niet. Wél moet ik toegeven dat ik meer reacties heb gekregen van mensen die het de normaalste zaak van de wereld vinden om hun kat onder de arm mee te nemen naar verre oorden. Of het altijd goed afloopt betwijfel ik, maar misschien komt dat omdat ik nu te veel mijn eigen strengheid rationaliseer.

Zelf zal ik me in ieder geval nooit overgeven aan deze in mijn ogen nogal roekeloze praktijk. Alleen al bij het piekeren erover krijg ik gruwelijke fantasieën die me straks uit mijn slaap dreigen te houden.

Ik schets uit de losse pols een scenario. Het is de voorlaatste dag van de vakantie in een paradijselijke Spaanse badplaats (bestaan die eigenlijk nog wel, paradijselijke Spaanse badplaatsen?). U zit, heer des vakantiehuizes, op het terras van uw bungalow een krantje te lezen als het zeer geleidelijk, maar onontkoombaar tot u begint door te dringen dat uw leuke katertje zich al enkele uren niet meer heeft laten zien. Ach, neuriet u nog even, wat kan er aan de hand zijn, hij is immers gecastreerd, en dat maakt de man in het dier een stuk rustiger – trouwens ook het dier in de man.

Maar dan begint uw vrouw zich ermee te bemoeien (`Waar kan Daantje toch zitten?'), uw kinderen komen toegesneld, en het Grote Zoeken begint tot de avond valt, als een bom. Morgen gezellig weer op.

De laatste dag, waarop dat feestelijke galgenetentje in het favoriete restaurant was gepland, voltrekt zich in een doffe paniek. Daantje laat zich niet meer zien. Veel omwonende vakantiegangers menen hem nog juist gezien te hebben, maar dat kan ook een dag geleden zijn geweest, en je ziet er trouwens ook zóveel zwerfkatten.

Dan komt het moment waarvoor ik het meest beducht ben. Het vertrek. Je maakt nog één snelle ronde om het huis, terwijl vrouw en kinderen je vanuit de auto met betraande gezichten gadeslaan. Daantje, Daantje in godsnaam, kom nou toch, zeg je schor. Maar Daantje komt niet meer. Nou ja, straks in je fantasie, dan staat hij tegen die gesloten keukendeur te krabben terwijl jij de Pyreneeën diepbedroefd bedwingt.