Joris velt de draak zonder paard

Sinds afgelopen vrijdag is de draak weer los in Beesel, een dorp in Noord-Limburg, halverwege Venlo en Roermond. In deze plaats vindt om de zeven jaar het draaksteken plaats. Dit is niet, zoals de naam doet vermoeden, een vorm van platvloers volksvermaak, maar een groots opgezet openluchtspel. In de weekenden van 9 tot 11 en 16 tot 18 augustus werd en wordt dit folkloristisch spektakel zes keer opgevoerd.

Op een ruim een hectare groot weiland, grenzend aan kasteel Nieuwbroeck, is een kasteel met bijbehorend middeleeuws dorp nagebouwd, dat gedurende de voorstelling door 530 spelers wordt bevolkt. Daaromheen zijn tribunes opgesteld, waarop 2.500 toeschouwers de verrichtingen van de Beeselnaren kunnen gadeslaan. Het megaproject wordt geheel gedragen door een dorpsgemeenschap van ongeveer 2.500 zielen. Deelnemers moeten uit Beesel afkomstig zijn of er wonen. Dit geldt niet alleen voor de spelers, maar ook voor de groepen vrijwilligers die belast zijn met de bouw van het immense decor, het maken van de rook uitbrakende en vuurspuwende draak en de vervaardiging van de kostuums.

Er is één uitzondering: de regisseur. Voor deze gelegenheid werd drie jaar geleden Cees Rullens, van het Makadam Theater in Maastricht, aangetrokken. Deze uit Noord-Brabant afkomstige Neerlandicus heeft het bekende verhaal van Sint Joris en de draak aangepast aan de geest van deze tijd.

De traditie van het draaksteken gaat in Beesel ver terug in de tijd. Sint Joris is sinds de zeventiende eeuw een populaire patroon van schuttersgilden. Tijdens de jaarlijkse processies kregen in veel plaatsen Sint Joris en de draak een vaste plaats. Op een gegeven moment werd de draak letterlijk gestoken. Deze handeling kreeg op den duur een steeds prominenter plaats in de optocht. Toen de lansen vervangen werden door vuurwapens, met ongelukken als onvermijdelijk gevolg, greep de bisschop in en verbood dit onderdeel van de processie.

Veel plaatsen gaven aan de oproep gehoor. In Beesel daarentegen ging het draaksteken onverminderd door. Alleen het tijdstip werd veranderd: voortaan werd op kermismaandag de draak gestoken. Na de fusie van de twee plaatselijke schuttersgilden (rond 1870) werd het draaksteken voor het eerst als een toneelstukje opgevoerd. In het begin werden de opeenvolgende scènes op verschillende locaties gespeeld, waarbij de nabijgelegen Maas een centrale plaats innam. Geleidelijk aan concentreerde het spel zich in de dorpskom. Al aan het begin van de twintigste eeuw kreeg het evenement landelijke bekendheid. Zo werd het in 1919 in Arnhem opgevoerd tijdens het Nederlandsch Historisch Volksfeest (met een eerste prijs in de categorie `Merkwaardigste riten en gebruiken') en maakte in 1926 de bekende folklorist D.J. van der Ven er opnamen van voor zijn speelfilm Nederland's volksleven in den oogst-tijd.

Het draaksteken – vanaf 1935 eens in de zeven jaar – kreeg een steeds grootschaliger karakter. Om die reden werd in 1967 het centrum van het dorp, als plaats van handeling, ingewisseld voor een ruim terrein net buiten het dorp. Het aanvankelijke motief was puur commercieel: hier kon de organisatie entree te heffen. Maar de ruimte werkte letterlijk uitnodigend. Aan het bestaande verhaal werden steeds meer rollen toegevoegd en er kwamen steeds meer figuranten: in 1974 waren er nog maar 125 deelnemers, bij de volgende serie opvoeringen was dit aantal verdubbeld. Het programmaboekje van de `editie 2002' somt 530 deelnemers op, maar het waren er afgelopen vrijdag tijdens de première in werkelijkheid 531. Een van de figuranten beviel twee weken geleden van een zoon. Dit buitenkansje liet de regisseur zich niet ontnemen. Hij voegde een (functionele) scène aan het manuscript toe: in een naamgevingsscène kreeg het `kruujjewief' (kruidenvrouw) – met de baby in haar armen – de gelegenheid haar bijzondere plaats aan de rand van de dorpsgemeenschap nader te profileren.

Niet iedereen in Beesel is gelukkig met de vrijheden die de regisseur zich permitteert. Zo is in de huidige versie de rol van Sint Joris gemarginaliseerd. Hij komt slechts enkele malen opdraven, niet meer als een heilige, maar als een gewone soldaat. Slechts een goed verstaander kan uit de tekst – in de streektaal uitgesproken – opmaken dat de boodschap de overwinning van het christendom op het heidendom is; de meesten zullen het nu zien als een algemene strijd tussen goed en kwaad. Slechts één scène herinnert nog aan de christelijke oorsprong: een woordenwisseling tussen het kruidenvrouwtje en de koning over de vraag of de stemmen die zij horen komen van meerdere goden of slechts van één God.

Wel blijft de eer aan `soldaat' Joris voorbehouden om in de finale van het stuk de draak te doden. Voordat hij deze kolos de doodsteek kan toebrengen, hebben de dorpsbewoners bijna tien minuten lang een vergeefse strijd geleverd met dit 12 meter lange en 2.000 kilo wegende gevaarte, dat in De Efteling geen gek figuur zou slaan. Voor de special effects van alleen al de vuurspuwers en de draak is naar schatting 100 liter brandpasta, 100 liter benzine en 500 liter lampenolie nodig. In zijn drang om het oorspronkelijke verhaal nog meer te dramatiseren en het publiek geen rust te gunnen heeft de regisseur buiten de waard gerekend. De draak brult nu zo vervaarlijk en er wordt zo veel rook en vuur geproduceerd dat er in de omgeving geen zwart paard te vinden was dat in de buurt van de draak durfde te komen. Daarom moest – voor het eerst in de lange geschiedenis – de dolende ridder zich letterlijk tot de rangen van het voetvolk verlagen om de draak te kunnen steken. Hiermee werd het démasqué van de heilige onbedoeld gecompleteerd. De Beeselse pastoor herinnerde de aanwezigen echter op een subtiele manier aan de oorsprong van het verhaal: op exact hetzelfde moment dat de draak zijn laatste stoom uitblies, begonnen een eind verderop de kerkklokken te beieren.

Dit is het eerste deel in een serie over hedendaagse feesten en rituelen.