Hongerstaking 2

In Nederland geldt, zoals in een rechtsstaat past, dat iedereen, en dus ook gevangenen, het recht hebben om gevrijwaard te worden van inbreuk op de lichamelijke integriteit. Het is opmerkelijk om te zien dat steeds opnieuw, wanneer zich een hongerstaking voordoet, en zeker wanneer dit gebeurt in een gevoelige of publiekelijk emotionele zaak, mensen zich laten verleiden om af te wijken van dit principe.

Hulst zegt dat op grond van de WGBO de hulpverlener de wil van de vertegenwoordiger van de patiënt moet volgen, maar vergeet daarbij het voorbehoud te maken van een door de patiënt opgestelde wilsverklaring, die prevaleert boven de wil van de vertegenwoordiger. Ook vindt Hulst dat het in de WGBO genoemde ,,goed hulpverlenerschap'' betekent dat ,,de arts handelt conform zijn eed en beroepsstandaard, hetgeen inhoudt dat hij verrichtingen doet teneinde het leven te behouden''.

Dit is uiteraard het geval, maar waar het om gaat is, dat dit handelen van de arts wordt beperkt door datgene wat de (wilsbekwame) patiënt toestaat, en dat kan dus een andere grens zijn dan datgene wat, zoals Hulst zegt, ,,handelingen die binnen zijn beroepsgroep als medisch zinloos worden gekwalificeerd''.

Het is te betreuren dat een gezondheidsjurist zich laat verleiden tot het via een achterdeur (van de penitentiaire beginselenwet) laten aantasten van de basale rechten van een gevangene.