De grote bewaarplaatsen van de stilte

Het is zo'n vraag die af en toe bij je opkomt, als je vluchtelingen ziet op de televisie, of een brandend huis: wat zou je meenemen? Natuurlijk zouden er allerlei praktische overwegingen zijn als je moest vluchten, en die bepalen de keuze, maar de vraag is eigenlijk: wat wil je redden, welke van al die dingen die je omringen hebben betekenis?

Of hebben ze geen betekenis? Zijn ze alleen maar spullen, min of meer toevallige gasten die zich ergens anders evenzeer of evenmin thuisvoelen?

Onlangs is mijn oma overleden. Ze is 88 jaar geworden, vrij goed gebleven tot op het laatst, haar sterfbed was niet naar, en omdat ze al jong moeder was geworden hebben zowel mijn moeder en tante als wij kleinkinderen haar verbluffend lang bij ons gehad. Zelf was ze tevreden over haar leven, zei ze, en nu had ze het wel gezien. Dus wat dat betreft alleen maar reden tot tevredenheid. Die je niet voelt als iemand dood is. Want heel dit praten is het verhaal eromheen, maar het gevoel eronder trekt zich daar niet zo veel van aan.

Ineens is een leven bijna niets als iemand er niet meer is, ineens hoor je dan weer in je hoofd de oude taal: ,,de sterveling zijn dagen zijn als gras,/ als een bloem des velds zo bloeit hij; wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer''. In het echt is een leven vaak lang, in het echt kan een middag waarin niets gebeurt geen telefoon die gaat, een zon die niet van wijken weet, niets om naar uit te kijken heel lang duren en kun je opzien tegen al die middagen die nog moeten komen, met allemaal niets erin. De dood vervormt dat. Die zegt ineens `zo voorbij'.

We stonden om haar kist waarin ze als verjongd lag, iemand legde haar hand op de nu zo koude maar nog steeds zo bekende handen, iemand zuchtte dat ze de laatste was geweest van het gezin van vijf kinderen waaruit ze kwam en zij zei niets, ze lag daar maar, `de grote bewaarplaatsen van de stilte deelachtig' zoals ik las dat de (schitterende!) Zweedse dichter Carl-Erik af Geijerstam had geschreven in een prozagedicht over het plotselinge geluid in een bos dat even plotsklaps weer verdwijnt. Ook weer zo'n beeld van kortstondigheid. `Het is even/ Tussen twee stilten luid geweest' schreef J.C. Bloem. Ach, de wereld wemelt van zulke bewoordingen en ze zijn waar en niet waar tegelijk. Waar is dat er op het moment van iemands dood zoveel verdwijnt, zó veel dat al die achtentachtig jaren niet meer dan een zucht lijken, dat al de jaren van degenen die haar voortbrachten, die bij haar hoorden en die er ook al niet meer zijn, eveneens stof lijken dat nu weggeblazen wordt.

Maar dan ga je iemands huis binnen. En daar staat de dagelijksheid nog in volle bloei, planten die water willen, kopjes, borden, kruimeldief, wasmachine, dozen vol ansichtkaarten `Dag oma, Het is hier fijn' `Lieve mam, Even een kaartje' knipsels, blouses, kruiswoordpuzzels. Niks geen zucht en stof, een hele boel praktische nuchtere dingen die een nieuwe bestemming moeten krijgen of geen en die allemaal bij elkaar vertellen van een leven maar ieder op zichzelf nogal nietszeggend zijn.

Waar is iemand, in zijn interieur? Het voorwerp dat het geheim van het leven draagt bestaat niet. Geen van al die dingen ís de overledene, hoe je ook zoekt naar het schild van Hektor, door zijn moeder Hekabe gekoesterd omdat de afdruk van zijn handen er nog in stond, het zweet van zijn voorhoofd in de riemen was gedropen je vindt het niet.

Wel liggen er papiertjes met handschrift en ja, iemands handschrift. Niemand anders heeft dat handschrift, nooit zal er meer een nieuw blaadje mee verschijnen.

De fotoalbums vertellen van een leven dat je helemaal niet kende, een leven met reisjes en volksdansen, met lachen aan het strand als een dun meisje, met glamourfoto's in jaren dertig stijl (maar het wás toen ook de jaren dertig, onthoud dat nu eens!) en 8 mm filmpjes waarop ze als jongste en mooiste en vrolijkste grootmoeder zit te zingen en te pianospelen daarbij wat een lang leven! Wat veel is dat, 88 jaar!

En wij maar sporen uitwissen. Vuilniszakken vol spulletjes het huis uit dragen, dingen verstrooien over verschillende locaties, keihard beslissen dat er van alles weg kan en moet, opgeruimd vaststellen dat iets nog best bruikbaar is en mee kan om opgenomen te worden in de zee van de eigen spullen, ononderscheidbaar.

Er lijken wel helemaal geen betekenisvolle dingen te bestaan. Niets heeft meer betekenis. De betekenis was de levende, de eigenaar, de betekenis bestond uit de omgang met al die dingen, uit hun aanwezigheid in een leven. Leven weg, betekenis weg. De al genoemde Af Geijerstam schrijft: ,,Het besef dat je sporen worden uitgewist levert een diep inzicht op. Al tijdens je leven beginnen ze te verdwijnen.'' Dat laatste is zeker zo, maar ik zoek nog naar een dieper inzicht dan dat onze dagen als gras zijn, ik zoek nog naar Hektors schild, naar de vrouw die daar woonde, de vrouw die leefde in die foto's maar daaruit is verdwenen, de vrouw die het lichaam bezielde dat wij hebben begraven en, als altijd, als iedereen, ik vind het niet en ik begrijp het niet.

Maar verder moeten we natuurlijk onze plicht doen tegenover de dingen. Ze redden uit onze ondergang, ze behoeden en bewaren. Zodat die rare opiumpijp die bij oma op de kast stond, en die uit de boedel van mijn overgrootmoeder komt, die hem op haar beurt weer, enfin, die pijp, zodat die ons flink overleeft. Daarom. Omdat we dan de namen kunnen noemen van degenen die hem in handen hebben gehad. Omdat die pijp niet als wij van gras is, en ook niet luid is geweest, maar omdat hij is.