Weg met die kenniscultus!

Het sympathieke van kennis is dat je het kunt delen en toch zelf behouden. En tegelijkertijd is in de moderne kennismaatschappij kennis een soort grondstof geworden. Een wonderbaarlijke vermenigvuldiging van welvaart is dan het logisch gevolg zou je denken. Geleerdheid zal belangrijker worden dan geld en de ware vrijheid zal een feit worden. Kennis als bijzondere kracht zonder materiële bron!

Het ligt natuurlijk anders, zoals de Maastrichtse filosoof Rein de Wilde terecht betoogt in zijn essay `De industrialisering van kennis', in het nieuwste nummer van de Sociologische Gids. Kennis krijgt tegenwoordig de kenmerken toegeschreven die vroeger slechts aan engelen waren voorbehouden, noteert hij droogjes. Kennis is een fetisj van de kennismaatschappij geworden, met een geheel zelfstandige gedaante buiten de menselijke verhoudingen om, schrijft De Wilde – zoals Marx indertijd `productie' hekelde als het blinde fetisjisme van het kapitalisme.

De Wilde zet twee toekomstverwachtingen uit de jaren zestig tegenover elkaar. In 1967 beschreef Daniel Bell de samenleving van `het jaar 2000' als een utopie die later ook vaak door de internetprofeten is verkondigd: kennis wordt de motor van de economie en dus zullen intellectuele instituties de dienst gaan uitmaken: universiteiten, laboratoria, proefstations en misschien zelfs slimme mensen op een zolderkamertje. In 1969 schetste bedrijfskundige Peter Drucker een alternatief beeld: kennis wordt inderdaad belangrijk, maar zal niet leiden tot meer macht voor de traditionele instituties. De `kennis' van de kennissamenleving is juist geen theoretische kennis. `Kennis is net zoals geld een vorm van energie die alleen bestaat als ze werk verzet', aldus de bedrijfskundige.

We leven nu in de wereld van Drucker, niet die van Bell, constateert De Wilde. Kennis is belangrijk, maar niet vrij. Het is onderdeel van de economie geworden. ``De schaduw van het kapitaal is over de kenniswereld gaan vallen'', aldus de filosoof. Kennis wordt van alles overheersend belang geacht, maar de `kenniswerkers' (een term van Drucker trouwens) zijn bijna een nieuw proletariaat geworden. De traditionele kenniscentra vallen tegenwoordig onder een industrieel regime. Industrialisatie betekent daarbij: centralisering, bureaucratisering en specialisatie. De fabriek met zijn machines is maar een van de verschijningsvormen van de golf van economische rationalisering die sinds Adam Smith's speldenfabriek over de wereld gaat. Een universiteit kan even goed industrieel worden georganiseerd, met `capaciteitsgroepen', collectieve onderzoeksstrategieën en projectorganisaties - ``die de academici verandert in aannemers en onderaannemers van `kenniswerk''', aldus De Wilde.

De Wildes essay is bedoeld als waarschuwing tegen de verwarring tussen de twee werelden: de industriële van Drucker en die van de kenniscultus van Bell. Want de kennis-enthousiastelingen jagen veranderingen aan met hun sirenenlied van kennisdeling en vooruitgang, maar in feite hollen al die vernieuwingen de zelfstandigheid van de kenniswerkers uit. Onder het mom van de idealen van Bell wordt de wereld van Drucker in huis gehaald. ``We kunnen er niet omheen dat de kenniscultus, bedoeld of onbedoeld, ook een belangrijke ideologische rol speelt bij de verdere versmelting van publieke wetenschap en private industrie'', concludeert De Wilde. ``In het bijzonder rechtvaardigt de kenniscultus de (relatieve) verschuiving van professiemacht naar werkgeversmacht door het industriële streven naar nuttige kennis een morele lading te geven. Die ideologie verschaft zo aan kennis het aristocratische aura dat de makers van die kennis, als een aparte stand, is afgenomen.''

Wat te doen? Tegen de industrialisering van de kennis is weinig meer te doen, aldus De Wilde. Teruggrijpen op oude aristocratische kennisidealen heeft geen zin meer. Maar de naïviteit van de kenniscultus kan wel worden aangetast. ``Mijn suggestie is dat we met Drucker accepteren dat wetenschap ook een vorm van arbeid is, maar dat we meer werk maken van de cultuurwetenschappelijke intuïtie dat stijl belangrijk is.''

Wat De Wilde daarmee bedoelt wordt helaas niet helemaal duidelijk, maar het lijkt erop dat hij hoopt dat door analyse van de werkelijke situatie op de wetenschappelijke werkvloer de ideologie van de kenniscultus zal verschrompelen. Wie weet. Maar zijn analytische wapens lijken vooralsnog niet erg bedreigend. De indeling in vijf soorten wetenschap (beschrijving, analyse, experiment, technologie en morele beschouwing van de wetenschappelijke resultaten: `het lezen van de wereld') die hij ontleent aan John Pickstone, is nogal willekeurig en - zo op het oog - al even naïef als de kenniscultus zelf.

Een geheel andere beschouwing over academische kennisidealen komt in deze Sociologische Gids van stadssocioloog Lodewijk Brunt. Hij vraagt zich af hoe de wetenschap om moet gaan met literatuur, die de menselijke emoties, ambities en dromen vaak zo veel beter kan beschrijven dan de wetenschappelijke methode van tellen en meten. Wat is authentieker, wat biedt een levensechter beeld? Een roman kan meer inzicht bieden dat tien wetenschappelijke studies, dat weet iedereen. Maar wat moet je ermee? Ulysses van James Joyce, de beschrijving van de belevenissen van één man op één dag in één stad, schiet natuurlijk tekort als wetenschappelijke studie. En verder zou de vrijheid van een romanschrijver (`in fictie kun je doen wat je wilt') ondenkbaar zijn in de wetenschap. Brunts conclusie is dan ook dat een socioloog vooral romans moet lezen om `gevoel' voor zijn onderwerp te krijgen. Uit eigen ervaring weet hij hoe vaak romans een onderzoeker attent kunnen maken op situaties en processen waar ze anders waarschijnlijk nooit aandacht voor gehad zouden hebben. Zoals de positie van eenzame mannen in Britse steden of de rol van vrouwen in het Indiase familieleven. Brunt vreest wel dat de meeste sociale wetenschappers weinig romans lezen. In ieder geval praten ze er nooit over.

Verder in Sociologische Gids een amusante analyse van de samenhang tussen televisievoorkeuren, vrijetijdsbesteding en maatschappijopvattingen. Veel televisiekijken blijkt niet ten koste te gaan van deelname aan het maatschappelijk leven. Maar mensen die etnocentrische opvattingen hebben, kijken veel tv en dan vooral naar commerciële zenders. En mensen die veel naar soaps kijken voelen zich onveiliger dan mensen die vaak naar het nieuws of naar (geweld)films kijken.

sociologische gids, jaargang 49, nr. 2 2002. losse nummers €13,50, abonnementen €57. uitgeverij boom meppel, tel. 0522-237555.