Strips van wajang en manga

Dat niet alleen in Amerika en Europa strips worden getekend, bleek twee jaar geleden uit het vuistdikke boek Comix 2000. Daar werkten tekenaars uit alle uithoeken van de wereld aan mee, behalve uit Indonesië. En laat nu net aan dat land een expositie zijn gewijd in het Rijksmuseum voor Volkenkunde.

De oudste geëxposeerde stroken met Indonische strips dateren uit 1950, maar dat is een vertaling van Flash Gordon, dus die telt niet mee. Er schijnen zelfs vanaf 1930 strips te zijn gemaakt in Indonesië, maar helaas ontbreken die. Ook vertellen de tekstbordjes dat er censuur bestond vanaf de Japanse inval in 1942, dat de stripproductie vanaf 1945 weer werd opgepakt en dat er in de jaren zestig een toezichthoudend comité werd ingesteld. Als reactie daarop organiseerden de kunstenaars zich in een speciale vereniging voor striptekenaars, de IKASTI.

Die roerige geschiedenis van de Indo-strip lees je echter nauwelijks af aan het tentoongestelde materiaal. Dat bestaat vooral uit omslagen die veel actie doen vermoeden, maar die ook duidelijk maken dat het geen Amerikaanse superhelden zijn die het kwaad verslaan, maar Indonesische. Veel tekenaars uit die strip-prehistorie lieten zich, naast de dominante Amerikaanse comics, ook beïnvloeden door de wajangtraditie (poppenspelen) en de verhalen uit de Mahabharata en Ramayana. Dat leverde merkwaardige boekjes op. Tenminste, dat vermoed je als bezoeker, want je kunt ze niet lezen. Je ziet alleen de intrigerende covers, die doen denken aan affiches voor B-films uit de jaren vijftig en die uitnodigen zelf een verhaal te verzinnen.

Het lijkt ook alsof de samenstellers slechts met moeite voldoende materiaal konden verzamelen, of misschien hebben ze zich er te makkelijk van af gemaakt. Bepaalde volgens de tekst belangrijke periodes ontbreken, en sommige boekjes zijn verminkt door een lezer die er droedels optekende.

Het is aandoenlijk om te lezen waar de tekenaars hun inspiratie vandaan haalden. Zo verzamelde Siauw Tik Kwie Chinese legendes via kauwgumplaatjes en werd Kosashi gegrepen door het beeldverhaal, toen hij in een krant waarin groente verpakt zat, een strook van Tarzan onder ogen kreeg. Hoe knullig de strips soms ook ogen, het moet een hele prestatie zijn geweest om onder de censuur, met gebrek aan voorbeelden en de bijzonder geringe commerciële waarde iets van een stripcultuur van de grond te krijgen. Begin jaren tachtig stagneerde de Indonesische strip volledig en werden er alleen nog vertalingen gepubliceerd.

Het tweede deel van de expositie beslaat werk uit de politiek zeer woelige jaren negentig. De `Indie comics' uit die tijd traden volgens de begeleidende tekst op als medium voor de publieke opinie. Ook dat valt niet echt uit het tentoongestelde op te maken. Wel is duidelijk dat de nieuwe generatie toegang heeft tot meer informatie en beter geschoold is. Hun stijl sluit aan bij de westerse collega's en bevat professioneel ogende actiestrips, een klare-lijnstrip en een Indonesische manga getiteld Marietje van der Bloemkool. Maar er wordt te veel naar westerse voorbeelden gekeken en er is nauwelijks sprake van een eigen smoel.

Ondanks de bescheiden opzet en hiaten is de expositie een aangename verrassing voor de bezoeker die na de aangrenzende zaal vol prachtige beelden, wajangpoppen en tapijten eens wat Indonesische populaire cultuur wil zien.

Madjoe! Een korte reis door de Indonesische striphistorie t/m 27 oktober. Di t/m zo 10-17. Rijksmuseum voor Volkenkunde, Steenweg 1, Leiden. Tel. 071-5168800 en www.rmv.nl