Landbouwlobby in komkommertijd

Onverwacht, onder het mom bijna van een tussentijdse rapportage, heeft Franz Fischler, de EU-commissaris voor landbouw, een nieuwe koers uitgezet. Het is nog maar een kleine stap, maar de richting is onmiskenbaar een breuk met het verleden. Het recente rapport Towards sustainable farming stelt onomwonden, dat steun aan de landbouw wordt losgekoppeld van de productieomvang. De landbouwlobby (LTO etc.) bespeurt het gevaar voor de eigen positie en roept in paniek: `de dwaasheid gekroond', `waanzin'. Dit is een test voor het kabinet-Balkenende. Zullen de verlichte voorstellen van Fischler worden gevolgd of zal men vervallen in de oude CDA-fout: het steunen van de landbouwlobby ten koste van het algemeen belang.

Tot op heden stuwde de EU-landbouwsteun naar toenemende productie. De kunstmatig hoge landbouwprijzen lokten steeds meer productie uit. Langgeleden waarschuwde dr. W. Drees sr. hier al voor, maar Sicco Mansholt wist het beter. De inkomenssteun was gekoppeld aan de bedrijfsomvang. Zo ontstonden de melkmeren, de boterbergen, de suikersurplussen enzovoort. Opslag was duur, uitverkoop van kerstboter gaf weinig soelaas, en zo besloot men de overschotten buiten de EU af te zetten. Maar omdat de prijzen daar veel lager zijn, zijn subsidies op de export nodig. En zo dumpt de EU zijn overschotten in ontwikkelingslanden, daarmee lokale productie wegvagend (melk in Jamaica, vlees in de Sahel). Intussen kunnen de hoge interne EU-prijzen natuurlijk alleen maar in stand blijven als de veel goedkopere producten van elders worden geweerd van de EU-markt. Dit gebeurt effectief met torenhoge tariefmuren. Suiker bijvoorbeeld kan in het Caraïbisch gebied zeer goedkoop worden gemaakt, maar wordt met een tarief van 297% (!) buiten de deur gehouden. De dure eigen EU-suikerproductie wordt zo kunstmatig beschermd.

Wat geldt voor suiker, is ook waar voor een reeks andere producten: bijvoorbeeld vlees, zuivel, bananen. Fort Europa berooft de ontwikkelingslanden daardoor van enorme exportopbrengsten; schattingen zijn 20 miljard euro per jaar, ruim drie maal de EU-ontwikkelingshulp.

Het EU-landbouwbeleid is dan ook `schandalig' jegens ontwikkelingslanden, zei minister Herfkens. Ze heeft gelijk.

Maar zelfs het afschaffen van de exportsubsidies is voor de EU onbespreekbaar. Dit bleek weer in Doha, Qatar, in november van het vorig jaar bij de voorbereiding van de nieuwe WTO-wereldhandelsbesprekingen. De EU-landbouwlobby, geleid door Frankrijk, verzette zich effectief.

En zo heeft de EU zich op het gebied van de landbouw geïsoleerd. Tariefmuren rond haar markt en een diplomatieke positie van zwart schaap.

De hoge tariefmuren rond de EU-markt en de noodzaak van subsidies om te exporteren, tonen overtuigend aan dat de landbouw in de EU niet-concurrerend is (dit is zo voor 70% in Nederland en 80% voor de EU als geheel). De noodlijdende EU-landbouw wordt dan ook met massieve steun overeind gehouden: ongeveer 120 miljard euro in totaal per jaar (gegevens OESO). In Nederland is een gezin met twee kinderen 1250 euro per jaar kwijt aan de landbouw. En het is weggegooid geld. De fundamentele en noodzakelijke hervorming is dan ook: afbraak van de tariefmuren en een open EU-markt voor veel goedkopere (maar minstens even goede) landbouwproducten uit de rest van de wereld. Dan wordt de prijsondersteuning onhoudbaar en exportsubsidies verdwijnen ook. Wat overblijft is een kleinere EU-landbouwsector die dan concurrerend is in de ware zin van het woord, namelijk in wereldeconomisch verband. Met zo'n voorstel zou de EU niet langer de paria zijn van het internationale landbouwoverleg, maar bewondering oogsten. Natuurlijk moet de sanering van de landbouw een menselijk gezicht hebben met voldoende tijd voor aanpassingen.

Met dit einddoel voor ogen is het duidelijk, wat zo belangrijk is in het nieuwe Fischler-plan. Door de band tussen steun en productieomvang nu eindelijk echt te breken is een eerste stap gezet naar een kleinere EU-landbouwsector. Deze weg vervolgend wordt invoer van buitenaf minder bedreigend en komt de afbraak van de tariefmuren in zicht.

De landbouwlobby LTO, Duitse en Franse boerenorganisaties, de Franse regering verzet zich dan ook heftig tegen deze eerste stap. Maar EU-voorzitter Denemarken steunde Fischler en dat deed ook (nu ex-)minister Brinkhorst.

Nederland heeft nu een nieuwe regering. In het algemeen is men voor deregulering en liberalisering. Zal dit ook voor het landbouwbeleid gaan gelden? Het ministerie van Landbouw is na 8 jaar weer in handen van het CDA. Pim Fortuyn dacht dat de tijd voor een landbouwsector zonder steun rijp was: ,,Het groene front en de politieke vertaling daarvan in de vorm van de christen-democratie, is in de hele EU gebroken.'' Dit is wel wat optimistisch gedacht.

Nog vorig jaar adviseerde de nieuwe landbouwminister Veerman (CDA) zijn partij over een `vitale landbouw in christen-democratisch perspectief'. Dit rapport bepleit toch vooral bescherming van de Europese landbouw. Zonder meer positief is dat Veerman onomwonden aanbeveelt dat de EU de exportsubsidies zal afschaffen. Voor het overige wordt aan de belangen van de ontwikkelingslanden slechts lippendienst bewezen; ook aan de belangen van de Europese consument worden alleen maar mooie woorden gewijd.

Maar zoals premier Balkenende zei, het gaat niet om woorden maar om daden. Het nieuwe kabinet wordt hopelijk geleid door het inzicht, dat voor de landbouw net als voor andere sectoren geldt: concurrentiekracht blijkt helemaal niet op een beschermde markt maar manifesteert zich alleen in een open internationaal verband.

Jacob Kol is hoogleraar Europese integratie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.