`Je vraagt je af waar je bij hoort'

Uit onderzoek blijkt dat adoptiekinderen als jongvolwassene een grote kans hebben op psychiatrische problemen en sociaal onaangepast gedrag.

Freek Gommers heette tot 1977 Hwang-Jung Il. In dat jaar werd hij op 3-jarige leeftijd geadopteerd door een Limburgs gezin. Een Koreaans kind dat opgroeit in een ,,klein boerendorp'' kan snel tegen moeilijkheden aanlopen, puur en alleen omdat hij er anders uitziet, zegt Gommers. ,,Er zit één lokale Chinees, maar verder zie je geen andere gezichten. Ik heb het er in mijn puberteit moeilijk mee gehad'', zegt de nu 28-jarige Gommers, één van de ongeveer vijfduizend geadopteerde Koreanen in Nederland. ,,Je vraagt je af waar je bij hoort, en je bent je ervan bewust dat je niet blank bent.'' Bij hem ging `het' vanzelf over, ongeveer toen hij 19 was. ,,Ik denk dat het moeilijker is als je op wat oudere leeftijd bent geadopteerd.''

Uit een Zweeds onderzoek blijkt dat adoptiekinderen als jongvolwassene in een westers land een grote kans hebben op psychiatrische problemen. Ze hebben driemaal zo vaak een psychiatrische ziekte en plegen driemaal zo vaak zelfmoord als generatiegenoten die niet zijn geadopteerd. Bovendien hebben ze een vijfmaal zo grote kans om verslaafd te raken aan drugs. Driekwart van de onderzochte adoptiekinderen was voor hun tweede verjaardag naar Zweden gekomen. De meeste van hen kwamen uit Korea, India en Colombia.

,,Het gaat hier om de eerste generatie adoptiekinderen die naar het westen kwam'', zegt Hans Walenkamp uit het Noord-Hollandse Zwaag, die de afgelopen jaren verschillende boeken publiceerde over adoptie. Hij en zijn vrouw adopteerden destijds twee meisjes uit Suriname en Colombia en een jongen uit Korea, die inmiddels tegen de 30 jaar oud zijn, en met wie het goed gaat, voegt Walenkamp eraan toe. Ze kwamen enkele jaren nadat de schrijver Jan de Hartog over zijn twee geadopteerde Koreaanse zusjes had verteld in een show van Mies Bouwman, in 1968. Zijn noodkreet bracht nog dezelfde avond een heuse adoptiestorm op gang onder de Nederlandse bevolking.

,,Wij wisten helemaal niks van adoptie en waren nergens op voorbereid'', zegt Walenkamp. ,,Ik kan me voorstellen dat die generatie veel problemen heeft gehad. Dat is de generatie waar dit Zweedse onderzoek over gaat. Tegenwoordig zijn ouders veel beter voorbereid. Ze moeten bijvoorbeeld verplicht een dure cursus volgen, heel confronterend.''

Walenkamp signaleert in elk geval één belangrijk verschil tussen adoptiekinderen en `gewone' kinderen: ,,Adoptiekinderen missen vaak een gevoel van basisveiligheid, dat de meeste mensen in hun jongste jaren verwerven. Een leven van regelmaat, met dezelfde gewoontes, dezelfde woordjes, geuren, dezelfde handen, hetzelfde eten. Dat gebrek aan basisveiligheid komt eruit in de puberteit, als de kinderen hun vleugels moeten uitslaan. Ze durven vaak niet, hebben angsten, omdat ze het gevoel missen dat ze `er mogen zijn'. Ze ontwikkelen daarbij een elementaire woede die zich meestal richt op degene die het dichtstbij is: de ouders.''

Lenie de Fijter, bestuurslid van de Landelijke Oudervereniging Gezinsproblematiek Adoptie, herkent de bevindingen van het Zweedse onderzoek, al is in Nederland meer bekend over problemen bij pubers. Volgens haar heeft 20 tot 25 procent van de adoptiekinderen psychische problemen. ,,Moeite met de gezinssituatie, leerproblemen, drugs en financiële schulden komen veel voor bij adoptiekinderen, vaker dan bij in Nederland geboren kinderen. Zo rond hun twaalfde jaar gaan zij meestal op zoek naar zichzelf en naar hun roots. Adoptiekinderen hebben soms het gevoel dat ze hier niet thuis horen, ook al doen de ouders nog zo hun beste – vaak zelfs meer voor hun adoptiekind dan voor hun biologische kind.''

De Fijter en haar man adopteerden 22 jaar geleden een meisje uit Indonesië, maar hebben ook een biologisch kind. Hun adoptiekind ging op 15-jarige leeftijd naar een internaat. Nu is ze 24 en het contact is goed. ,,Vreemd genoeg benauwt adoptiekinderen vaak de warmte van een gezin, ze kunnen zich emotioneel moeilijk uiten. Ik heb moeten leren afstand te nemen van haar. Ik denk dat dat voor veel ouders geldt.''

Toch is er volgens haar al een hoop ten goede veranderd. ,,Ouders zijn tegenwoordig beter op de hoogte voordat ze een kind adopteren'', zegt De Fijter. ,,Ook zijn er nu meer mogelijkheden dan vroeger voor ouders om signalen te herkennen dat er iets niet goed gaat.'' Bovendien lijken hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg de laatste jaren meer ervaring te krijgen met problemen rond adoptiekinderenn, zegt De Fijter.

Een bekend verschijnsel is volgens ouders van adoptiekinderen dat kinderen die op jonge leeftijd naar het westen komen, over het algemeen minder gedragsproblemen hebben dan adoptiekinderen die al bewuste ervaringen in hun geboorteland hebben. ,,Maar dat zegt niet dat zij geen problemen krijgen'', zegt De Fijter. De Zweedse onderzoekers vonden geen verklaring voor de psychiatrische problemen bij buitenlandse adoptiekinderen.

Volgens de Bossche Koreaan Freek Gommers kan de regio waarin het kind terecht komt meespelen. ,,Ik denk dat adoptiekinderen die in de Randstad opgroeien minder moeite hebben zich aan te passen in vergelijking met kinderen die in kleine dorpen in de provincie wonen'', zegt Gommers, die nu in Den Bosch woont en op de administratie van de Vreemdelingenkamer van de rechtbank in Den Bosch werkt. ,,In de steden en in de Randstad zie je veel meer Chinezen, Koreanen of Vietnamezen, maar ook andere allochtonen. Dat je er anders uitziet valt daar veel minder op.'' Gommers gaat eind september voor het eerst sinds zijn komst naar Nederland terug naar Korea. ,,Het lijkt me spannend om mijn roots te ontdekken.''