Herinneringen aan München 1972

Morgen, op de laatste dag van de EK atletiek in München, worden bij een herdenkingsbijeenkomst de slachtoffers van de Palestijnse aanslag op de Israëlische ploeg tijdens de Olympische Spelen in 1972 herdacht. Drie oud-atleten halen herinneringen op aan een afschuwelijke dag.

Slonzige gordijnen en de door onkruid overwoekerde tuin geven het appartement Connollystrasse 31 in München een haveloze aanblik. De geschiedenis lijkt te zijn opgelost in het dagelijkse leven van een betonwijk. Slechts een paar regels in het Duits en Engels op een geplastificeerd papiertje naast de voordeur herinnert aan de macabere gebeurtenissen van 5 september 1972. Die dag pleegden Palestijnse terroristen in dát huis een aanslag op de Israëlische ploeg die deelnam aan de Olympische Spelen. De gevolgen: elf doden en een schok die nog natrilt in de wereld.

Jos Hermens (52) en Bram Wassenaar (58) bekijken het huis zonder veel te zeggen. Woorden kunnen de pijnlijke herinneringen toch niet verdrijven. De oud-atleten zijn voor het eerst op de plaats van de misdaad in het voormalige atletendorp, terwijl zij dertig jaar geleden er hemelsbreed een paar honderd meter van waren verwijderd. Hermens was geschokt door de aanslag en besloot destijds München te verlaten. ,,Wat is sport nog waard als er mensen worden vermoord?'', vroeg hij zich af. ,,Ik heb geen moment getwijfeld over mijn beslissing. Leuk die Spelen, maar zo hoefde het voor mij niet meer.''

Wassenaar voelde zich ook nog persoonlijk geraakt, omdat hij kort voor de Spelen op trainingskamp was geweest met Israëlische atleten. Die behoorden weliswaar niet tot de slachtoffers, maar voor hem was het olympische ideaal die dag voorgoed aan flarden geschoten. Wassenaar kwam niet meer in actie op de Spelen, maar bleef wel in München, omdat de ploegleiding om logistieke redenen moeilijk deed over vervroeging van zijn terugreis.

Beiden woonden ook de herdenkingsdienst in het Olympiastadion bij, waarbij IOC-president Avery Brundage de historische woorden sprak: 'The Games must go on.' Hermens denkt met afschuw aan dat moment terug. ,,Ik ging uit piëteit met de slachtoffers naar het stadion en verwachtte te horen dat de Spelen zouden worden afgelast. Tot mijn verbijstering gebeurde dat niet. De misselijk makende woorden van Brundage dreunen nog na in mijn herinnering.''

Hermens en Wassenaar behoorden tot een groep van zes Nederlandse atleten die destijds de Spelen voor gezien hield. De atlete Wilma van den Berg, de hockeyers Paul Litjens en Flip van Lidt de Jeude en de worstelaar Bert Kops waren de anderen. De ploegleiding stond op het standpunt dat voor terreur niet mag worden geweken en besloot het Nederlandse team niet terug te trekken. Zeer tegen de zin van bestuurslid Tings Gerritsen van het Nederlands Olympisch Comité. Hij zag niet in waarom Nederland in 1956 de Spelen van Melbourne boycotte wegens de Russische inval in Hongarije, maar dat naliet na een terroristische aanslag met dodelijk afloop.

De toentertijd extreem linkse Hermens kon evenmin begrip opbrengen voor de Nederlandse opstelling. ,,Ik had sowieso niets met nationalisme; dat geeft alleen maar rotzooi in de wereld. Ik had me ook stellig voorgenomen om het volkslied zittend aan te horen in geval ik op het podium had gestaan.''

Voorafgaande aan zijn bezoek aan Connollystrasse 31 stond Hermens stil bij het monument ter nagedachtenis aan de gevallenen van de aanslag. Terwijl hij kijkt naar de namen van de elf Israëlische slachtoffers en de Duitse politieman op de tien meter brede uit graniet gehouwen klaagbalk in het Olympiapark, zegt hij: ,,De namen van de vijf Palestijnse doden ontbreken.'' Typisch Hermens, die in de jaren na zijn verzetsdaad talrijke verzoeken kreeg om spreekbeurten te houden. Vooral joodse organisaties waren geïnteresseerd. Hij wimpelde ze alle af. Hermens: ,,Zij meenden dat ik aan hun kant stond. Maar dat was niet zo. Het ging mij om de doden, niet om een standpunt in het conflict.''

Eveneens terug op de rampplek is de de 50-jarige Esther Roth. Zij maakte dertig jaar geleden als talentvol hordenloopster deel uit van de Israëlische olympische ploeg en denkt met afschuw terug aan de aanslag.

,,Het was de zwartste dag in mijn leven, temeer daar mijn coach Amizor Shapira tot de slachtoffers behoorde. Ik wilde eerst niet naar München komen, omdat het slechte herinneringen oproept. Maar er is morgen een herdenkingsbijeenkomst en ik vind het mijn plicht tegenover de slachtoffers om daarbij aanwezig te zijn. Bovendien heb ik mijn 20-jarige dochter meegenomen om haar de plek van de aanslag te laten zien. Ik werd ook emotioneel toen dinsdag tijdens de openingsceremonie van de EK de Israëlische vlag het Olympiastadion werd binnengedragen. Dat moment was heel speciaal.''

De gebeurtenissen op 5 september 1972 staan gebeiteld in het geheugen van Roth, die destijds niet op Connollystrasse 31 verbleef, omdat mannen en vrouwen van woning waren gescheiden.

,,Ik werd om zes uur gewekt anderhalf uur nadat Palestijnen het huis van de mannen waren binnengedrongen om te worden geëvacueerd naar een andere woning. Daar volgden we bang en gespannen de onderhandelingen. Nadat een helikopter de terroristen met gijzelaars 's avonds naar het vliegveld Fürstenfeldbrück had gebracht, kwam onze ploegarts met twee slaappillen, omdat ik de volgende dag de halve finale moest lopen. Van slapen kwam niets en kort na middernacht vernam ik de fatale afloop van een vuurgevecht op het vliegveld. Een afgrijselijk dag, waarvan ik me elke minuut als een gruweling herinner.''

Esther Roth is nog steeds verbitterd over het besluit om de Spelen na de aanslag door te laten gaan. ,,Wij keerden terug naar Israël om onze doden te begraven en in München deed men alsof er niets was gebeurd. Onbegrijpelijk en moeilijk te accepteren. Jarenlang was ik van mening dat er geen Olympische Spelen meer moesten worden gehouden. Van dat standpunt ben ik inmiddels teruggekomen, omdat ik weet dat daarmee terrorisme niet wordt bestreden. Maar in München hadden de Spelen nooit vervolgd mogen worden.''