Echte bibliofiel kent geen haast

Ergens moet ik nog een kartonnen map hebben, waarin zich een aantal gevouwen bladen papier bevindt. Het formaat zit ongeveer tussen folio en A-3 in, dus het is niet iets dat je gemakkelijk over het hoofd ziet. Maar ik kan de map zo gauw niet vinden. Het komt wel een keer. Papier is spreekwoordelijk geduldig, en dat geldt wel zeer in het bijzonder voor dit papier.

Blanco papier behelst meestal eerder een belofte dan een herinnering, maar in dit geval ligt dat anders. In dit geval belichaamt het beide. Het gaat om Italiaans papier van buitengewone kwaliteit: 160 grams handgeschept papier van Magnani. Prachtig soepel materiaal is het, bijna als textiel. Het was een monster voor het papier dat gebruikt zou worden voor de eerste publicatie van een bibliofiele uitgeverij, die de classicus en uitgever Johan Polak en ik in 1989 oprichtten onder de naam Moytura Pers. Die naam verwees naar het buitenhuis van de ouders van Oscar Wilde, gelegen nabij het Ierse Moytura, waar volgens de antieke Keltische mythologie twee legendarische veldslagen geleverd werden. Voor Johan Polak was dit plan voor een luxe pers een mooie voortzetting van zijn vele bibliofiele liefhebberijen. Zelf had ik ook wel eens iets bibliofiels uitgegeven, maar net als bij seks leek bibliofilie met zijn tweeën mij leuker dan in mijn eentje.

Op dit Italiaanse papier zou als eerste uitgave een tweetalige, fraai verzorgde editie worden gedrukt van het 110-regelige gedicht L'Après-Midi d'un Faune uit 1875 van Stéphane Mallarmé. Voor de Nederlandse versie - berijmd en metrisch als het origineel - tekende de Vlaamse dichter, classicus, schrijver en vertaler Paul Claes. Aan hem heeft het niet gelegen dat het boek nooit is verschenen. Aan wie het wel lag, doet er eigenlijk niet toe. Misschien lag het in de aard van het project besloten dat deze boekuitgave een onmogelijkheid moest zijn.

De door de aspirant-uitgevers in het voorjaar van 1991 opgestelde aankondigingstekst voor de eerste Moytura-publicatie beschrijft om te beginnen de ontstaansgeschiedenis van Mallarmé's gedicht en vervolgens, in tamelijk zinnelijke bewoordingen, de buitensporig luxe uitvoering van de oorspronkelijke uitgave in slechts tweehonderd exemplaren uit 1876. ,,De illustraties van Edouard Manet, de geselecteerde Hollandse, Japanse en Chinese papieren, de roze en zwarte sluitkoorden aan de blanke vilten band en vele andere exquise ambachtelijke details maken de editio princeps van deze herderszang tot een onherhaalbare zeldzaamheid.''

Maar deze nieuwe tweetalige editie zal er toch ook mogen zijn, want de tekst vervolgt even later: ,,Deze uitgave, die eerdaags gereed zal zijn, wordt naar aanwijzingen van Bart Boumans gezet uit de letter Van Dijck, en door de Stamperia Valdonega te Verona gedrukt op honderdzestig-grams handgeschept papier van Magnani. De eenmalige oplage van deze uitgave zal zestig met de hand genummerde en geparafeerde exemplaren omvatten, die naar een ontwerp van Hans van der Horst door de Eenhoorn Binderij te Amsterdam in perkament met goudopdruk zullen worden gebonden. [] De verkoopprijs per exemplaar zal naar schatting twaalfhonderd gulden bedragen, te voldoen aan de vooravond der verschijning, na ontvangst van een betalingsbericht.''

Zo perfect als deze aankondiging het boek voortovert, met het mooie eufemisme dat de uitgave `eerdaags' gereed zal zijn, zo moeizaam vorderde het project in de werkelijkheid. ,,Echte bibliofielen hebben geen haast'', schreef Johan Polak mij op een zeker moment, temidden van de talloze brieven over drukproeven, de bepaling van oplage en verkoopprijs, het door de binder gewenste extra voorschot in verband met de aan te schaffen geitenhuiden voor het perkamenten omslag, de reservering van de drukpers in Verona, het juiste karton voor de verzending der exemplaren, etc. Maar `geen haast' werd gaandeweg synoniem met `vrijwel algehele stilstand'.

De laatste brief in mijn Moytura-correspondentie aan Johan Polak dateert van 1 mei 1992. Bijna drie jaren waren verstreken sinds we een begin hadden gemaakt met de voorbereidingen voor onze Mallarmé-uitgave. Zowel het tijdsbeslag van het project als de begroting hadden inmiddels abnormale vormen aangenomen, maar tot op het laatst bleven onze correspondentie en onze ontmoetingen vrolijk, geïnspireerd en optimistisch. Aan de vooravond van mijn vakantie meld ik Johan dat er naar zeggen van de binder nu in Tsjechoslowakije een vervangende leverancier is gevonden voor de geitenhuiden ten behoeve van het paars te kleuren perkament en dat de gewenste kleinkapitalen van het gekozen lettertype in Duitsland voorhanden blijken te zijn. Binnen twee weken verwacht de vormgever de tweede revisie-proef uit Verona, zo kondig ik aan, en ik sluit af met: ,,Wees hartelijk gegroet, en laten we eind mei, begin juni weer eens met Frans (Frans Goddijn, Johans mede-vennoot in literaire zaken) erbij rond de tafel zitten, niet slechts om Turco-taart te eten, maar ook om onze faun te friseren.''

Zover kwam het niet, want op 25 mei overleed Johan Polak. Hij was al jaren verre van volledig gezond, maar hij kon zo dramatisch en welluidend klagen hoe hij zich aan de rand van het graf bevond, dat je hem van lieverlee het eeuwige leven ging toedichten. Twee dagen na zijn dood ontving ik de aangekondigde revisieproef van De namiddag van een faun. Eenzelfde exemplaar lag vermoedelijk in de nu lege werkkamer van Johans huis aan de Amsterdamse Keizersgracht.

Mij rest een grote stapel, dikwijls zeer humoristische en vileine brieven, verschillende versies van het manuscript, diverse drukproeven, contracten met heuse handtekeningen en keurig betaalde voorschotnota's. Het laatste stuk papier uit de stapel is een kopie van de excuusbrief die ik aan vertaler Paul Claes schreef op 30 juni 1994, toen ondanks herhaalde pogingen definitief duidelijk geworden was dat de uitgave van De namiddag van een faun niet meer zou kunnen verschijnen. De schitterende vertaling van Claes was intussen al elders in boekvorm verschenen, in een degelijk gebonden handelseditie tezamen met zijn andere Mallarmé-versies.

Het souvenir bij uitstek van ons streven naar de ultieme bibliofilie is de kartonnen map met de bladen 160 grams handgeschept papier van Magnani. Het zou bepaald een Mallarmeaanse gedachte zijn om te zeggen dat dit gedicht zo perfect is, dat slechts blanco-papier van de hoogste kwaliteit in staat is om het in alle opzichten recht te doen.

Dit is een ingekorte versie van een verhaal dat eind augustus in boekvorm (Dingenliefde)verschijnt bij uitgeverij Contact.