Dreyfus en Keyzer

Af en toe komt kapitein Alfred Dreyfus voorbij. (Een paar jaar geleden zei je in zo'n geval: schoot zijn naam je te binnen, moest je aan hem denken. Nu is het: komt voorbij. Op Classic FM komt Samuel Barber met zijn Adagio voorbij, maar eerst komt Ludwig van Beethoven nog voorbij). Dreyfus is voor het eerst aan mij voorbij gekomen door tussenkomst van mijn moeder. Zij heeft mij indertijd – ik moet een jaar of acht geweest zijn – het aangrijpende verhaal over het verraad, de degradatie en de dappere Émile Zola verteld. Voor hij naar het Duivelseiland werd verbannen, werd hij voor het front van zijn regiment gedegradeerd. Eerst werden zijn epauletten afgerukt, ten slotte werd hem zijn sabel afgepakt. Die werd door zijn commandant op de knie gebroken. De stukken werden voor zijn voeten op de grond gesmeten. Het sneed me door de ziel. Maar toen kwam Zola! Hij nam het op voor Dreyfus, hij schreef zijn J'accuse! Ik kreeg een brok in mijn keel. Met de ongelukkige kapitein is het goed afgelopen. Mijn moeder kon prachtig vertellen.

Het is een verhaal met tweemaal een moraal. Dit is de eerste. Wil je iets of iemand zo diep mogelijk treffen, dan moet je beginnen met een geleidelijke ontluistering. Geruchten verspreiden, om te beginnen. Is het een mens, dan begin je met het zachtjes laten knabbelen aan zijn stoelpoten. Daarvoor zijn ratten te huur. Daarna kan het eigenlijke zagen beginnen. Als dat goed gebeurt, valt het slachtoffer op den duur vanzelf om. Bij een instelling, gevestigd in een onroerend goed, gaat het op de keper beschouwd op dezelfde manier. Eerst de geruchten. Dan de verwaarlozing. Laat de verf van de gevel afbladderen, staak dan alle onderhoud, en de zaak is vanzelf al in elkaar gezakt voordat de deur definitief wordt gesloten.

Waarom denk ik regelmatig aan kapitein Dreyfus? Omdat ik regelmatig langs het huis kom waar vroeger Restaurant Bodega Keyzer was gevestigd. Op 1 juli is het gesloten, omdat de fundering verzakte. Geloofwaardig. Die van het Concertgebouw aan de overkant van de Jan Willem Brouwerstraat moest ook grondig worden vernieuwd. Intussen bereikten ons allerlei geruchten. In het souterrain van het vernieuwde Keyzer zou een bar komen, nog meer faciliteiten voor bierdrinkers. Nog meer! Denk aan het toneelstuk van Ton Vorstenbosch, Sterke drank in Oud Zuid. De eerste geruchten voorspelden niets goeds.

Keyzer ging dus dicht. Het roestige rolluik voor de ingang viel en is sinds 1 juli niet meer opgetrokken. Voor de ingang staan nu, bijna zes weken, twee gebroken sierbloempotten, of ze liggen, want per dag worden de resten wel een keer omvergetrapt. Het is een deerniswekkende rotzooi. Binnen zijn de stoelen op de tafels gezet. Daar heerst de stilte van het graf. Keyzer wordt voorbereid op een nieuw leven, maar dat kan waarschijnlijk pas beginnen, als de herinnering aan het oude Keyzer zo veel mogelijk teniet is gedaan.

Ik heb in deze krant al een keer een met redenen omkleed protest geschreven (14.12.2001). Daarom citeer ik nu iemand van de concurrentie, prof. Arnold Heertje, uit zijn column in Het Parool van vorige week: ,,Mijn vrouw en ik gingen eten bij Keyzer, toen Willem-Alexander en Máxima aan een tafeltje bleken te zitten. Een snoodaard rechts van ons vond het nodig een hele batterij persfotografen in te lichten. Hij doorbrak de ongeschreven Keyzerlijke wet van de intimiteit. Bij het vertrek van het prinselijk paar illustreerde een knetterend spervuur het resultaat van zijn actie. Zo'n man hoort niet in Keyzer, dacht ik nog. Na dit voorval hoorde ik dat alle obers bruut aan de kant zijn geschoven. Bodega Keyzer wordt verbouwd, zegt de nieuwe exploitant. Hij maakt korte metten met het interieur, de ouderwetse sfeer en met het gedreven personeel. In Amsterdam is niemand opgewassen tegen het brute geweld. De politie staat erbuiten, de burgemeester vindt het ook jammer en de gemeenteraad kan geen vuist maken. De bezoekers van weleer verheffen hun stem, omdat een ambiance wordt afgebroken. Keyzer was meer dan een plek om te eten. Het was een thuishaven.'' Aldus Arnold Heer- tje.

Ja, zelfs nog meer. Het was een volstrekt vrije enclave, waar je gasten en jij tegen iedere ongevraagde interventie beschermd waren. Het verhaal van Heertje over het prinselijk paar deed me denken aan een jaar of veertig (ik kan het ook niet helpen) geleden toen we daar eens met Hans Wiegel, ster in opkomst, zaten te eten. Een linkse gast wilde zich in zijn politieke overtuiging profileren door meermalen langs ons tafeltje te lopen en daarbij tegen de stoel van de liberaal te botsen. De bedrijfsleider, de heer Doves, had het gezien, ging onopvallend naar de progressief toe en vroeg hem discreet, zijn actie te staken. Daarmee was de Keyzerlijke wet uitgevoerd.

Veel later zaten we er eens met twee vooraanstaande krakers. Bij het vertrek leken ze dikker geworden dan door de maaltijd mogelijk kon zijn. Het bleek dat ze – volgens hun overtuiging van `jouw rechtsorde is de mijne niet' – twee jassen over elkaar hadden aangetrokken. Dat was ook tegen de Keyzerlijke wet. Die jassen hebben ze eerlijk teruggegeven.

Het verhaal over Dreyfus, schreef ik aan het begin van dit stukje, heeft tweemaal een moraal. De eerste behelst de openbare vernedering. De tweede, daarmee onmiddellijk verbonden, is de moraal van de heldhaftige redding, het J'accuse! van Zola, de doorbraak van de rechtvaardigheid. Voor Dreyfus was het wel op het nippertje maar niet te laat. Nu Keyzer nog.