De slager en de koe

Elke dag gaat Sjaakie Voordouw bij zijn koeien langs. Ze staan in een verruigd weilandje aan de rand van Woerden en ze weten precies hoe laat het is. Bij het verschijnen van Sjaakie's witte Dodge slaat het afwachten om in opwinding. Ze haasten zich naar het hek. Sjaakie's koeien zijn dol op Sjaakie, dol op zijn stem, op zijn handen, op het brood dat hij begint te verdelen – gratis van een Turkse bakker in Leiden.

,,Moet je dit zien.'' Sjaakie pakt bij Heidi 1 het vel beet dat in ruime plooien onder haar keel hangt. ,,Dat sukkelige, dat vind ik echt wat hebben, daar straal ik helemaal op uit.'' En dan, zich tot Heidi zelf richtend; ,,Jij bent mijn wijffie, hè? Ach, wat ben je toch een schat!''

Nou ja, dat soort dingen zegt iedereen wel eens, al zal het niet altijd tegen een koe zijn.

Sjaakie is dertig.

Hij heeft een keer een gabberfeest laten schieten, omdat de koe niet lekker was.

Zijn vader had een slagersbedrijf – natuurlijk: Voordouw op Rietveld. Dus een winkeltje aan

de straatkant, slachterij en worstmakerij achter op de werf, eerste steen gelegd door Arie Voordouw in 1884. Slachten zit hun in het bloed. Er is een foto van Sjaakie als kleuter, bezig met de ingewanden van een schaap op de slachtbank.

Rond zijn veertiende moest hij koeien leren schieten. Die dieren stortten ter aarde en dan vloog Sjaakie's vader eropaf om te zien of de ogen al waren weggedraaid en dan zei hij die is af of die is niet af, en bij die is niet af kreeg je een draai om je oren. Rustig en discreet, dat was de stelregel van zijn vader.

Desgewenst haalt Sjaakie het hoofd van Heidi 1 er even bij om een en ander te verduidelijken. Je trekt een denkbeeldige lijn van de Iinkerhoorn naar het rechteroog en een denkbeeldige lijn van de rechterhoorn naar het linkeroog en waar die elkaar kruisen, nog steeds volstrekt in het denkbeel- dige uiteraard, dáár moet de pen erin, dan is-ie direct af.

Rond zijn twintigse zat hij op de slagersvakschool aan de Pompelaan In Utrecht. Op donderdag hing hij een trailer achter de auto, dan reed bij eerst met drie-, vierduizend gulden op zak naar de veemarkt om een stier te kopen, en dan stond die stier op die kar, met een baal hooi en een emmer water, bij de school te wachten tot het vier uur was.

Maandag, slachtdag. 's Nachts om twee uur ging Sjaakie's vader het hout in het fornuis aansteken. Om vijf uur werden de varkens binnengebracht, vijf, zes stuks. Schieten, steken, heet water eroverheen en dan gingen ze krabben. En dan, om een uur of negen, kon Sjaakie de stier gaan halen.

Kijk, vroeger was het een aanbeveling als je als slager zelf de beesten slachtte. Tegenwoordig is dat eerder verdacht. Tegenwoordig willen de mensen die confrontatie niet meer aan. Vlees willen ze, verder niks. Voorverpakt en kant-en-klaar, dat willen ze, maar daar vindt Sjaakie geen lol aan. Dus dat winkeltje aan de straatkant, dat is dicht, en Sjaakie werkt bij Wouters in De Hoef waar dagelijks 70 à 80 koeien en 200 à 300 schapen worden verwerkt.

Inmiddels is, die regenachtige namiddag aan de rand van Woerden, de spijziging met Turkse broden beëindigd. De koeien hebben zich grazend in het veld verwijderd. Alleen Heidl 1 is al die tijd bij het hek blijven staan, hunkerend als een hondje. Nu kan ze niet langer wachten. Het gras roept. Nog één keer kijkt ze om. Ja baas, jij kunt rustig doorkletsen, maar ík moet nu toch aan het werk.

Ze is wat stijf in de achterbenen, ze loopt houterig. ,,Maar daar maak ik me nog geen zorgen over'', zegt Sjaakie. ,,Ik hoop dat ze twintig wordt, maar als de veearts haar niet meer kan helpen, dan slacht ik 'r. Dat doe ik zelf. Als ik het zelf doe, weet ik tenminste dat het netjes gebeurt. En desnoods eet ik er nog een stuk van op ook. Ik zie het als een dier, maar ik zie het ook als een materiaal.''

Bij Wouters in De Hoef, een woensdag in 1995. Na de middag waren er nog maar zes koeien te gaan. Toen die hingen, kwam er een wagen van Sam van Leeuwen uit de Waver het terrein oprijden, een dubbeldekskoeienoplegger. Ze dachten al: daar gaat onze vrije middag. Maar er zat maar één koe in, een overhouwer van Piet Pouw uit Abcoude - die had-ie op de markt in Den Bosch gekocht en niet voor een goeie prijs kunnen doorverkopen en nou zou-ie 'm zelf maar laten slachten.

De klep ging open en daar was Heidi, een Simmentaler, eigenlijk een Alpenkoe, zachtrood van kleur en fraai gehoornd. Aan een touw werd ze voorgeleid en dat touw hing steeds in een boogje, zo braaf en trouwhartig liep ze mee. Toen kwam ze oog in oog met Sjaakie te staan.

Sjaakie bracht het schietmasker in gereedheid. Ze keek hem aan en toen keek ze naar die zes koeien die daar al hingen en toen was het net of ze hem iets wilde vragen, het was net of ze vroeg: ga je dat nou ook met mij doen? En toen kon Sjaakie niet verder.

Voor 1700 gulden heeft hij haar gekocht. Frans Wouters vond het niet verstandig. ,,Als je zo begint'', zei die, ,,zit je straks met tweehonderd koeien.'' Maar daarvoor was Sjaakie zoiets nooit overkomen, en daarna overkwam het hem ook nooit meer.

Dat Heidi diezelfde zomer nog gezelschap kreeg, is een ander verhaal. Sjaakie had zijn zinnen allang gezet op zo'n compact Simmentaler koetje voor zichzelf, en de afspraken om er in Oostenrijk eentje te gaan halen, waren gemaakt en hij zag geen reden om er nu van af te zien.

Heidi 1 en Heidi 2, zij aan zij. De eerste jaren kregen ze steeds allebei een stierkalfje. Toen bleek dat van Heidi 1 langzamer te groeien dan dat van Heidi 2 – toen bleek Heidi 1 maar net genoeg melk te hebben. Het linkerachterkwartier van haar uier was kennelijk ontstoken geweest en deed niet meer mee. Een uierprobleem had haar naar het slachthuis gebracht, het slachthuis had haar uiteindelijk een bruin leven bezorgd. Zo kan het gaan.

Stierkalfjes dus. Die liepen de hele zomer bij hun moeder. Die aten uitsluitend wat in de natuur voorhanden was. Als Sjaakie zijn beesten naar de winterstalling ging brengen, reed hij langs het slachthuis. Dan moesten de beide Heidi's even wachten en werden de stiertjes uitgeladen – ze hadden nog geen boe of bah kunnen zeggen of daar hingen ze al.

,,Heerlijke biefstukken'', ver- zekert Sjaakie. ,,Daar hoeft voor mij geen zout of kruiderij bij.''

Vorig jaar kregen ze allebei een kuiskalfje. Dat zijn de pinken van nu. De opvolgers. Je moet, Sjaakie zijnde, toch ook om de toekomst denken. Want al wórden ze twintig, de Heidi's, dat is nog lang het eeuwige leven niet.

Dit jaar: wéér twee kuiskalfjes. Eerst dat van Heidi 2. Dat is zo mooi gevlekt, zo sprekend gelijk aan dat van vorig jaar, dat kun je onmogelijk wegdoen. Daarna dat van Heidi 1. En dat kun je dan moeilijk bij het andere achterstellen.

Heidi 1 en 2, twee pinken, twee kalveren en een stier erbij – Sjaa- kie's veestapel begint een beetje uit de hand te lopen. Alleen de winterstalling al, bij een boer op Rietveld, kost hem een duizendje of drie (in guldens). ,,Maar ja'', zegt hij, ,,het was liefde op het eerste gezicht.'' En als je ziet waar een ander zijn geld aan uitgeeft, dan is het prima zo.

Nu stapt hij eindelijk weer in zijn Dodge. De wagen maakt zich los uit de modder en hobbelt in zijn achteruit naar de rondweg. In de verte kijkt Heidi 1 toe. Ze heft haar kop, ze spant haar keel, ze roept hem na. Zwaar en ernstig loeit haar stem over het weiland. Er klinkt van alles in door: verlangen en weemoed natuurlijk, maar misschien wel vooral bezorgdheid. Sjaak jongen, pas toch op voor het leven buiten de kudde.